Publiek en privaat in het Prinsenhof

Prinsenhof 1625Wat hebben popartiest Michael Jackson en de Vader des Vaderlands gemeen? Beiden logeerden op de Oudezijds Voorburgwal in Amsterdam, ooit het Prinsenhof, nu bekend als ‘Sofitel The Grand’. Weinigen weten dat het er in 1613 een gruwelijke doodslag plaatsvond.

Het Prinsenhof kent een lange voorgeschiedenis. Vanaf de vijftiende eeuw was het Sint-Ceciliaklooster er gevestigd. Twee jaar na de Alteratie van 1578, waarbij Amsterdam aan de kant van de geuzen nam, stelden de burgemeesters voor het nonnenklooster ‘aen deser stede te nemen’. Ondanks tegenstribbelen van de bestuurders van het klooster namen de stedelijke thesauriers de administratie over. Er bleven nog bijna dertig nonnen wonen, terwijl de stad het gebouw als logement voor belangrijke gasten begon in te richten.

Verwarring

Op Wikipedia heerst enige onduidelijkheid over het exacte jaartal van het bezoek van Oranje. Ook de herkomst van de naam ‘Prinsenhof’ is niet geheel duidelijk voor de wikipedianen. Hadden ze nu nog maar een boek in de kast staan als De opheffing der satisfactie van Amsterdam, de kloeke dissertatie van Gerritje Coops uit 1919. Zij beschrijft (p. 59) het bezoek van de stadhouder in het voorjaar van 1581. Een jaar eerder was Oranje ook al in Amsterdam, maar toen logeerde hij bij burgemeester Dirck Jansz Graeff, in de Warmoesstraat tegenover de Papenbrugsteeg. Zijn gevolg met hun dienaren verbleven in herberg de Prins op de Dam, wat de naamsverwarring kan verklaren.

De naam Prinsenhof is te verklaren uit een resolutie van de Staten van Holland, die in 1581 tijdelijk in Amsterdam bijeenkwamen om harde noten te kraken met de stadsbestuurders. Zij vergaderden onder meer ‘in het Hof van syne Princelijcke Excellentie’, te weten Oranje. De achttiende-eeuwse stadsgeschiedschrijver Jan Wagenaar wist dit niet; hij meende dat de graaf van Leicester in 1586 de eerste heer van aanzien was, die in het gebouw was ondergebracht. Oranjes echtgenote, Charlotte de Bourbon, vernachtte eveneens in het Prinsenhof en ook de prinsenkinderen, die in een apart kamertje waren ondergebracht.

Pensionaris De Sille

Na het vertrek van het hoge bezoek werden delen van het voormalige klooster verhuurd aan stedelijk personeel zoals de sergeant-majoor, terwijl de kloosterkerk in gebruik was als schermschool. Later mocht alleen de stadspensionaris op het Prinsenhof wonen. Deze Nicasius de Sille, in 1543 geboren in Mechelen, was eerder pensionaris van Namen en secretaris van de staatsraad onder landvoogd Matthias geweest. Na de afval van de zuidelijke gewesten vestigde hij zich in Amsterdam, waar hij als pensionaris werd aangesteld. De Sille was vermaard vanwege zijn grote rechtskennis en hij werd veelvuldig afgevaardigd naar het buitenland, onder meer naar Engeland en Denemarken.

In 1586 verbleef landvoogd Leicester en diens gevolg in het Prinsenhof. Het gebouw werd eerst grondig schoongemaakt door de vrouw van pensionaris De Sille, Johanna van Trillo, die daarvoor aanzienlijke hulptroepen had ingeroepen. Gezien zijn goede Britse contacten zal de stadspensionaris Leicester gezelschap hebben gehouden. Tijdens Leicesters minder succesvolle bezoek in 1587, als hij een mislukte staatsgreep probeert te doen, logeerde hij opnieuw op het Prinsenhof.

Enkele jaren later lieten de burgemeesters een deel van het Prinsenhof geschikt maken als vergaderruimte van de Admiraliteit. Hiertoe werd onder meer de oude keuken verbouwd tot woningen voor leden van de Admiraliteitsraad en hun klerken en boden. Tijdens deze verbouwingen wonen er bij pensionaris De Sille en diens gezin nog twee migranten uit de Zuidelijke Nederlanden op het Prinsenhof. Een jong meisje, de 21-jarige Margreta de Bruijn uit Brussel, werd er verliefd op de veertien jaar oudere Jean de Troncquoy uit Namen. In 1591 trouwden zij, waarbij de Admiraliteit de bruid een bruidsgift van 60 gulden en een diamanten ring van 24 gulden schonk. Het echtpaar was dan ook in dienst als conciërge.

Schoonmaak van het Prinsenhof in 1586

Grote schoonmaak van het Prinsenhof vanwege de komst van Leiceter in 1586.

Maurits als vaste klant

Geregeld ontvingen zij hoog bezoek op het Prinsenhof, zoals de Deense ambassadeur. Tijdens diens bezoek in 1597 werd er speciaal een ‘opperkok’ met enkele assistenten worden ingehuurd. In datzelfde jaar was het voornaamste deel van het gebouw in gebruik door de Admiraliteit, maar een ander deel bleef dienen als stedelijk ontvangstcentrum, zo leren de stadsrekeningen ons. Pensionaris De Sille was inmiddels overleden, maar het echtpaar Troncquoy en De Bruijn woonde er nog altijd. Zij hadden zelf bedienend personeel in dienst, zoals Duyff Isbrants en mr. Claes Antonisz. In de aanloop naar het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) diende deze hoge rekeningen in, bijvoorbeeld vanwege het bezoek van de hertog van Mantua.

Maurits van Nassau was een vaste klant op het Prinsenhof. Margreta Bruijn toucheerde hoge bedragen voor de bezoekjes van de stadhouder en zijn gevolg; in 1611, bijvoorbeeld, verdiende zij 5500 gulden aan een verblijf met de prins van Portugal, terwijl de waardin Duyff nog eens 177 gulden in declareerde vanwege het gelag van enkele lieden uit het gevolg van prinses van Condé en twee hellebaardiers van Maurits. Margreta Bruijn, of Grietje de Bruyne, deed meer dan het leiden van de herberg in het Prinsenhof. De Admiraliteit schakelde haar ook in voor administratieve klussen, zoals het napluizen van de rekeningen van oorlogskapiteins.

Doodslag en overlast

Het echtpaar Troncquoy en De Bruijn woonde met hun uitdijende gezin en hun personeel op het Prinsenhof. Zoals gezegd woonden ook de Admiraliteitsraden met hun familie en het admiraliteitspersoneel met gezinnen in het gebouw. Het plein voor het Prinsenhof was een geliefde speelplaats, maar hun geschreeuw verstoorde de vergaderingen in de Raadzaal. In december 1610 waas de maat vol: voortaan moesten de boden en de met hellebaarden gewapende dienaren van de geweldige provoost geen geraas meer toelaten, ‘zelfs niet van de kinderen der Heeren’. Een jaar later ging het mis. De kinderen van luitenant-kapitein Hendrick van Munster kregen het aan de stok met de schoonmakers en huisgenoten van kamerheer Troncquoy, die in een ruzie door de zeeman werd gedood.

De doodslag leidde tot commotie onder het stadsbestuur, dat de Admiraliteit om opheldering vroeg. Toch wilde het College de doodslager zelf berechten. Intussen klopten de ‘menigvuldige kinderen’ van Troncquoy aan om te vragen of zijn gelijknamige zoon Jan het ambt van zijn overleden vader mocht waarnemen. De Admiraliteit keurde dit goed, maar zolang hij ongehuwd was, ging zijn traktement naar zijn acht onmondige broers en zussen. Bovendien wist zijn weduwe een wekelijkse bijdrage van 6 gulden voor haar huishouding los te peuteren.

Met de dood van Troncquoy was de overlast op het Prinsenhof nog niet beëindigd. Het geroddel van de vrouwen van de bodes zou volgens de raden tot conflicten leiden. Grootste boosdoenster was de vrouw van de lopende bode Hans Stoffel. Binnen acht tot tien dagen moest zij vertrekken naar een woning buiten het Prinsenhof. Nog was er geen rust, zo bleek in 1619. Er was nu zelfs dagelijks sprake van ‘groote insolentie’, ditmaal gepleegd door jongens die op het pleintje ‘loopen, spelen, kaetsen, roepen, tieren en fluiten’. Erger was dat zij continu de keukendeur in- en uitliepen, wat de vergaderende heren tot waanzin dreef. Kamerbode Jan Troncquoy moest daarom een slot op de keukendeur maken, waarvan hij, zijn vrouw en dienstmaagd de sleutel kregen. Een vierde sleutel werd bewaard op de secretarie voor alle overige bewoners van het hof. Ook moesten de hellebaardiers de jongens van het plein jagen.

De overlast bleef voortduren, want twee jaar later is het repertoire van de jongeren uitgebreid tot ‘guyterijen en ongeregeldheden van goyen, werpen, tollen, kaetsen, smijten, kijven en vechten, oock met toebackdrincken [roken] ende andere onbehoorlijcke dingen’. Behalve het uitdelen van boetes zal het sluiten van de Hofpoort enig effect hebben gesorteerd. Pas in 1638, bij het bezoek van Maria de Medici, dient het Prinsenhof weer als ontvangstcentrum, waartoe de grote zaal ‘met zeer schoone tapijten’ was behangen.

‘Cachelkamertje’

Jeugdoverlast was in de Gouden Eeuw niet alleen een probleem voor het Prinsenhof. Ook de Koopmansbeurs en andere openbare locaties leden in deze periode onder pestende en vernielzuchtige jongeren (zie o.a. mijn artikel in Ons Amsterdam en het prachtige boek van Benjamin Roberts). Over de aanwezigheid van gezinsleden in semi-publieke instellingen zoals herbergen weten we nagenoeg niets. Toch waag ik me alvast aan enige verkenning op dit gebied.

In de vroegmoderne tijd was de scheiding tussen publieke en private gedeelten van logementen en herbergen onduidelijk, aangezien de waard en zijn gezin woonden en leefden op hun werkadres. De vrouw deed dikwijls dienst als waardin en trad na het overlijden van haar man zelfstandig op als uitbater van de herberg.  Ook de kinderen speelden een rol in het bedrijf of liepen er in ieder geval rond. Uit onderzoek naar herbergen in ‘s-Hertogenbosch is gebleken dat de voorkamer, de keuken, de hangkamer en de achterkamer van huizen kon dienen als publieksruimte. De hoge voorkamer was meestal ‘de camer van het pintjes gelach’, waar ook de winkelbank was met alle glazen en bijvoorbeeld schenkersbenodigdheden. Door de ligging aan de straatzijde konden klanten hier ook voor thuisconsumptie afhalen. In de keuken of ‘binnenhaard’ sliepen de waard en zijn gezin bij het vuur, maar ook hier kwamen de klanten zich nu en dan warmen.

Dezelfde indeling vinden we terug in Amsterdam, zoals in de inventaris van zeemansherberg de Vergulde Draak op de Texelse Kade. Hier was echter ook een kantoor, waar de waard zich kon terugtrekken. Een notariële verklaring uit 1704 beschrijft een ‘cachelkamertje’ waar de waardin van herberg de Brandaris op de Texelsekade (nu: Prins Hendrikkade) haar gasten ontbood. Kennelijk was hier haar privévertrek. Intussen zat zij er maar wel mee, aangezien zij al het werk deed terwijl haar man ‘niet anders deede als hem met de gasten te vermaecken met een glaesjen’. Gelukkig kende het herbergiersvak dus ook aangename kanten.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Publiek en privaat in het Prinsenhof

  1. Erik Meijer zegt:

    Dacht ik altijd dat mijn voorvader Troncquoy prettig woonde op het Prinsenhof, maar het einde was niet zo happy. Dank voor de mooie geschiedenis!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s