Rauers onfrisse cultuurgeschiedenis

matrozenkneipe036.jpg

In 1941 verscheen een lijvig overzichtswerk over de geschiedenis van het herbergwezen. Deze Kulturgeschichte der Gaststätte van de historicus Friedrich Rauers is rijk geïllustreerd en geldt als een standaardwerk, maar het boek verscheen onder auspiciën van de nazi-staatssecretaris van ‘vreemdelingenverkeer’ en bevat dubieuze passages. De moderne herbergvorser zit ermee in zijn maag.

 

Rauers en Rathenau

Terwijl ik de laatste hand leg aan de handelseditie van mijn proefschrift over het Amsterdamse herbergwezen (1450-1800), binnenkort te verschijnen bij Vantilt, staat het boek van Rauers als een loden last in de boekenkast. De beide dikke delen (totaal 1518 pagina’s) gelden als standaardwerk en ik kon ze voor een prikje aanschaffen bij Antiquariaat Kok, maar het verhaal achter de publicatie is onwelriekend. Eenmaal thuisgekomen bleek mijn exemplaar een tweede druk (Leipzig 1942): binnen drie maanden was de eerste editie namelijk al uitverkocht, ‘mitten im Kriege’, zoals ook de auteur enigszins verbaasd schrijft in het voorwoord. Kennelijk voorzag zijn boek in een behoefte: de geschiedenis van de uitspanningen en kroegen van weleer boden de lezer een nostalgische terugkeer naar vervlogen tijden, toen het nog vrij reizen was en er nog geen bommen vielen.

Rauers_Friedrich1

 

De auteur van de Kulturgeschichte der Gaststätte was de al wat oudere Bremer historicus Friedrich Rauers (1879-1954). Van plattelandsafkomst had hij zich via het stedelijke gymnasium opgewerkt tot professor (1917), gespecialiseerd in de handelsgeschiedenis van de Noord-Duitse steden. Vanaf 1920 was hij hoofdarchivaris van het rijksarchief in Potsdam en universitair docent economische geschiedenis. Na de extreemrechtse moord op de industrieel-politicus Walther Rathenau, in 1922, nam Rauers het initiatief tot inrichting van een Rathenau-Archiv. Onder het naziregime verloor hij (daardoor?) zijn archieffunctie. Hij was echter wel lid van de NSDAP en van de Nationalsozialistischer Deutscher Dozentenbund en bleef tijdens de Tweede Wereldoorlog als privaatdocent verbonden aan de universiteit in Berlijn. Een vijand van het naziregime was Rauers dus allerminst.

Nazitoerisme

Tussen zijn wetenschappelijke werkzaamheden door verzamelde Rauers jarenlang plaatjes van uitspanningen, herbergen en kroegen, als onderdeel van zijn persoonlijke ‘beeldbank’ van tienduizenden historische afbeeldingen. Deze kwamen van pas toen hij eind jaren dertig de kans kreeg om een boek over dit onderwerp te schrijven in de reeks van de ‘Hermann Esser Forschungsgemeinschaft für Fremdenverkehr’. Naamgever Hermann Esser (1900-1981), auteur van het antisemitische manifest Die jüdische Weltpest (1927), was een goede vriend van Hitler, maar werd in 1939 op een politiek – maar financieel voordelig – zijspoor gezet. Als staatssecretaris van de ‘Fremdenverkehrsabteilung, onderdeel van Goebbels’ ministerie van Volksvoorlichting en Propaganda, moest hij zich met het toerisme in het Derde Rijk gaan bezighouden. Dat diende vooral om Duitsers liefde voor het vaderland bij te brengen en om reizigers en burgers voor te houden dat het dagelijks leven in nazi-Duitsland gewoon doorging (K. Semmens, Seeing Hitler’s Germany. Tourism in the Third Reich, 1-2). In zijn nieuwe positie beschikte Esser over budgetten, die hij deels aanwendde voor een (semi)wetenschappelijke boekenreeks over de geschiedenis van het vreemdelingenverkeer. Alleen de studie over de Gaststätte zou uiteindelijk verschijnen: auteur Rauers droeg deze op aan Esser, die hem met ruimhartige fondsen had vrijgesteld van zijn universitaire arbeid. In zijn  voorwoord koppelt Esser de traditionele Duitse gastvrijheid aan de ‘nieuwe levensstijl’ van het nationaalsocialisme.

Rauers klaagt in zijn eigen inleiding dat hij in de oorlogswinter van 1939 in de schuilkelder de drukproeven moest doornemen. Toch was er in januari 1941 een dik boek. Op basis van reisverslagen, archiefstukken, beeldmateriaal, volkscultuur, letterkunde en reclamemateriaal schetst Rauers hierin delen de ontwikkeling van het vreemdelingenverkeer (met Gastlichtkeit en Gastrecht als centraal begrippenpaar), de Hanzekantoren en het ontstaan van de ‘beroepsherberg’ tot en met de geschiedenis van de moderne horeca. Hij beperkt zich niet tot de uitdijende grenzen van het Duitse Rijk, maar bespreekt ook Italiaanse, Engelse en Franse hotels en zelfs Amerikaanse jazzkelders in Harlem – dat laatste niet uit eigen ervaring, maar uit het Amerikaboek van Arthur Rundt. Tussen de regels door is er ruimte voor kritiek. Met grote distantie schrijft hij bijvoorbeeld over ‘Niggertanz und die Niggermusik’, zoals hij het noemt (p. 1410). Actiever keert Rauers zich tegen Amerikaanse hotelmuzak (p. 666) en de ‘protzige Modekrankheit’ van de wolkenkrabbers, die ‘glücklicherweise’ in Europa geen vaste grond aan de voeten heeft gekregen (p. 668).

Na de oorlog

In vergelijkend perspectief steekt het Duitse herbergwezen volgens Rauers met kop en schouders uit boven de vaak armetierige nachtopvang elders in Europa. Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn bespreking van de Hollandse ‘Schlaf- und Huerbaase’, de logementhouders die hun gasten lieten slapen over het touw. Alleen in Marseille of Las Palmas was het nóg erger, al konden de Chinezen er ook wat van: daar moesten de zeelieden met hun kop door het plafond de nacht doorbrengen, aldus Rauers. De – fictieve – wanpraktijken van een Hollandse slaapbaas destilleert hij uit een passage uit een boek van de Amsterdamse fantast en sigarenhandelaar Justus van Maurik.

In de categorie Bierschenken bespreekt Rauers ook de bierkelders waar de nazibeweging ontstond, inclusief plaatjes met hakenkruizen en andere nazisymboliek. Al met al heeft het boek een bijzonder onfrisse bijsmaak, ook al doet de auteur zijn best om het allemaal gezellig en apolitiek te houden. Tot in de winter van 1944-45 bleef Rauers lesgeven, aan de Humboldt-Universität. Na de oorlog vertrok hij met zijn plaatjesverzameling naar Tübbingen, waar hij in 1954 overleed. Elf jaar later werd er in Bremen een straat naar hem vernoemd. Esser was toen allang vervroegd vrijgelaten uit gevangenschap en bestierde in München een goedlopend reisbureau. In 1980 feliciteerde de CSU-minister-president van de deelstaat Beieren (Franz Josef Strauß) hem nog met zijn tachtigste verjaardag; een jaar later was Esser dood.

Vanwege de achtergronden is Rauers boek moeilijk te lezen als objectieve studie naar de geschiedenis van het vreemdelingenverkeer. Toch deel ik zijn interesse in het onderwerp en dist Rauers ook wetenswaardigheden op, die een nuttige bijdrage zijn aan de schaarse geschiedschrijving op dit gebied, zoals zijn paragrafen over de Fuhrmansgasthöfe en Werbhäuser (beide in band 2). Bovendien geven de ruim zevenhonderd afbeeldingen, deels foto’s van oude plattelandsherbergen, hotels en Matrosenkneipen, een beeld van een verdwenen verleden. De deels verholen en deels ostentatieve nazipropaganda maken het boek als geheel echter onsmakelijke kost: het zijn geen voetsporen waarin je graag wilt treden.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s