Wielrijdersleger terug in de Isabellakazerne

Defilé van de wielrijders in 1938.

Defilé van de wielrijders in 1938.

De twee roemruchte regimenten wielrijders speelden een rol bij de verdediging van Nederland tegen de Duitsers in de meidagen van 1940. Ter herinnering aan de daarbij omgekomen soldaten en aan de geschiedenis van het fietsende legeronderdeel kwam er in de jaren tachtig een museum en een monument in de Isabellakazerne in Vught. Sinds kort zijn deze weer toegankelijk.

Oude karabijnen

Van 1888 tot 1946 kende Nederland een wielrijdersleger. Dit was onderdeel van de Lichte Divisie en bestond uit twee regimenten. De militaire wielrijders konden zich relatief snel verplaatsen waardoor ze geschikt waren voor verkenningsopdrachten, maar ze ook strijd leveren. Op tien mei 1940 kregen zij opdracht samen met het Korps Rijdende Artillerie richting Alblasserdam te gaan. Een bataljon wielrijders maakte zich daar los om naar Dordrecht te fietsen. Op het Eiland van Dordt en in de Alblasserwaard leverden zij strijd met Duitse luchtlandingstroepen. De krijg was ongelijk: de Duitsers schoten met mitrailleurs, terwijl de wielrijders zich moesten behelpen met karabijnen uit 1894 en fietsen zonder remmen. Circa 77 wielrijders lieten daarbij het leven. Na de oorlog zijn de wielrijdersregimenten niet heropgericht.

WielrijdersHerdenken

Ruim 22 jaar geleden schreef ik een scriptie en artikel over de herdenkingen door oud-militaire wielrijders. In 1994 bezocht de Isabellakazerne in Vught, waar de veteranen sinds het eind van de jaren tachtig hun herdenkingsmonument hadden staan. Dit initiatief van de Stichting Militaire Wielrijders moest een waardige herinnering zijn ‘aan hen die in de meidagen van 1940 in de Alblasserwaard en in Dordrecht hun leven gaven voor het vaderland in een strijd tegen een oppermachtig niets ontziende vijand’. De oud-wielrijders en nabestaanden van de gesneuvelden droegen zelf bij aan de totstandkoming van het monument, dat vanzelfsprekend bij de Isabellakazerne zou komen te staan: daar waren de twee Wielrijdersregimenten van het garnizoen Den Bosch tussen 1922 en 1940 immers gelegerd.

Het monument der Wielrijders

Het monument der Wielrijders

De ex-wielrijders en nabestaanden brachten een aardig bedrag op, maar het was onvoldoende voor een monument uit natuursteen. Het materiaal werd kunststof met bronzen letters erop. Het ontwerp van de gedenkplaat, gemaakt door een oud-wielrijder, bestond uit drie onderpanelen met een logo van zes wielrijders op hun stalen ros. Het middelste paneel toonde de tekst ‘snel en vaardig, kalm en waardig’: de spreuk van de regimenten. Op de twee bovenpanelen aan de buitenkant kwamen de namen van de gevallenen en hun onderdeel te staan. Na de onthulling van de gedenkplaat, in 1988, werd de Last Post geblazen en een minuut stilte gehouden. Na het Wilhelmus, een kranslegging en een defilé was er ‘stemmige muziek’.  Bij de plechtigheden waren ruim tweehonderd ex-wielrijders aanwezig: de jongste was zeventig jaar, de oudste 92.

Rijdend muziekkorps

Op de eerste reünie van de wielrijders, in 1972, kwamen nog vijftienhonderd veteranen opdagen. Hoogtepunt van de bijeenkomst toen was een optreden van het legendarische Wielrijdersmuziekkorps. Deze trots van het Wielrijdersleger was voor de gelegenheid aangevuld met huzaren van het Depot Cavalerie uit Amersfoort. Het rijdende muziekkorps – uniek in de wereld  – gaf ook voor de inwoners van Den Bosch een demonstratie en hield een optocht door de stad. In 1972 werd ook begonnen met het museum in de Isabellakazerne. Dit bestond uit fietsen, wapens, uniformen en veel foto’s en gaf een overzicht van de gehele geschiedenis van militaire wielrijders in Nederland.

Het muziekkorps bij de eerste herdenking in 1972.

Het muziekkorps bij de eerste herdenking in 1972.

Tijdens mijn bezoek in 1994 verkeerde het museum in deplorabele staat. In mijn scriptie zocht ik uit hoe dat kwam. Twee jaar eerder had Defensie besloten de Isabellakazerne af te stoten. De stichting maakte zich zorgen over wat er met hun museum en het monument moest gebeuren en waar hun veteranenbijeenkomsten gehouden moesten worden. Van het ministerie was er geen steun meer te verwachten: dat beweerde geen geld meer te hebben. De gemeente Den Bosch stelde prijs op de aanwezigheid van de wielrijders, maar was niet van plan hun herinneringsplaats financieel te steunen. Uiteindelijk verhuisde het museum naar de zolder van het hoofdgebouw van de kazerne en mocht het monument blijven staan. De rest van het terrein deed dienst als asielzoekerscentrum.

Terug in Vught

De laatste reünie van de wielrijders werd gehouden in juni 1993. Ruim tweehonderd personen waren present, onder wie de burgemeesters van Den Bosch en het nabijgelegen Vught. In NRC Handelsblad uitte een veteraan zijn onvrede over de van hogerhand gekomen slechte militaire leiding tijdens de Tweede  Wereldoorlog. De oud-sergeant meende dat het met een ander aanvalsplan wel degelijk mogelijk was geweest de Duitsers een zware slag toe te brengen. Ook gaf hij toenmalig minister-president Colijn een veeg uit de pan omdat die niet meer geld aan defensie had besteed. De voorzitter betreurde het dat de traditie van de militaire wielrijders niet was doorgegeven aan een ander legeronderdeel, zoals wel gebeurde bij andere oude krijgsonderdelen. Dat doet ‘onrecht aan mensen die hun best hebben gedaan. Die makkers zijn in de steek gelaten’ (Bert van der Kruk, ‘Geheim wapen in de strijd’, Vogelvrije fietser 18, nr. 4 (1993) 26-27). Zoals te verwachten, maakten al hun woorden niets uit: de overheid liet de wielrijders in de kou staan.

Twee wielrijderspoppen in het museum.

Twee wielrijderspoppen in het museum.

De collectie van de wielrijders verhuisde naar het Infanteriemuseum op de Harskamp. Daar heb ik deze nog eenmaal bekeken. Ik herinner me vooral het gewicht van het negentiende-eeuws schietgeweer dat ik aan mijn schouder mocht leggen. Vanaf mei vorig jaar is de collectie eindelijk teruggebracht naar het hoofdgebouw van de Isabellakazerne waar deze weer publiekelijk toegankelijk is – het Vughts Museum is nu eigenaar van de memorabilia. De rest van het complex is tijdelijk in gebruik door studenten, bedrijven en horeca, in afwachting van een definitieve herbestemming. Ook het monument voor de gevallen Wielrijders is hersteld. Onder voorzitterschap van Wim Kievits wil de stichting de kazerne verder ontwikkelen tot een cultuurhistorisch en toeristisch centrum. De eerste militaire erewacht bij het monument heeft alweer plaatsgevonden.

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Van kattendompteur tot nachtwaker

Over de eigenzinoriginal_prof_eduard_bonnetty127820_2nigheid van katten zijn al boekenkasten volgeschreven. Minder bekend is dat zij wel degelijk gedresseerd kunnen worden, zo bewees de kattendompteur ‘professor Bonnetty’ aan het eind van de negentiende eeuw.

Bonnetty’s gedresseerde ‘wonderkatten’ konden koorddansen, door brandende hoepels springen en – geheel tegen hun natuurlijke instincten – vreedzaam spelen met dikke ratten, muizen en kanaries. De kattendompteur was door heel Europa populair: hij trad op voor de Spaanse kleuterkoning Alfonso XIII en in de harem van de sultan in Constantinopel (nu: Istanboel) mochten de vrouwen het schouwspel bekijken door spleetjes in de wanden. Na 1900 verdween de dierenprofessor uit zicht, maar dankzij nijver speurwerk van Jessica Voeten in Ons Amsterdam  is Bonnetty nu aan de vergetelheid onttrokken.

Denkend aan marmotten…

Achter ‘Professor Bonnetty’ gingen twee broers schuil, met wortels in het Brabantse Zundert. Deze Joseph en Johannes Passtoors waren de kleinzoons van een paardenpostmeester onder koning Lodewijk Napoleon. Diens zoon was in 1877 verhuisd naar Amsterdam, waar de broers opgroeiden. Een van beide broers leerde het dresseren van dieren op de zolder van een manufacturenhandel op de Nieuwendijk, waar hij eigenlijk was aangenomen om stukken lint te verkopen. Omdat hij tijdens het werken meer dacht aan zijn marmotten en duiven, werd hij ontslagen. Tegen de zin van zijn ouders ging hij nu fulltime dieren dresseren.

Miniatuurhondjes

In een vieze houten loods buiten de Raampoort verdiende broer Joseph officieel zijn geld als ‘koopman in honden’, onder pseudoniem ‘J. Bonnetty’. Behalve voor het scheren, couperen en castreren van honden kon je ook bij hem terecht om ze te laten africhten. Daarnaast trad hij op met zijn gedresseerde ‘miniatuurhondjes’. Een van de nummers was ‘de hond die pianospeelt en walst’. In het pakhuis bij de Raampoort liepen zoveel ratten en muizen rond, dat hij die integreerde in zijn dressuurshow. Hij liet een groep katten wennen aan een nest van acht jonge ratten, totdat ze de instinctieve afkeer kwijt waren. Het kostte hem een jaar extra training, maar het werd wel een topact. In 1887 trad hij of zijn broer als ‘Professeur Eduard Bonnetty’ avond aan avond met zijn ‘chats savants’ op in het Cirque d’Hiver te Parijs. De kattendompteur veroverde ook Wenen en Londen en eind 1891 maakte hij een tournee in zijn geboorteland.

Samen met zijn broer reisde Joseph ook door Rusland, op zoek naar jonge vossen. Thuis in zijn Amsterdamse loods dresseerde hij ze voor een act met kippen en een worstelwedstrijd met honden, waarbij de dierentemmer zelf stijlvol gekleed ging in een Engelse rode jachtrok met hoge hoed. In 1896 voer broer Johannes met zijn menagerie van vossen, honden, katten, ratten, eenden, duiven en kaketoes per stoomschip naar New York, waar hij de bewoners van de nieuwe wereld versteld deed staan.

‘Koning der katten’

Na de reis naar Amerika eindigde de samenwerking als ‘professor Bonnetty’ in 1900. Joseph deed nog weleens een ‘ouderwetse kindervoorstelling’, zoals in 1908 tijdens de Bossche Kermis, maar voor zijn inkomen was hij afhankelijk geworden van een baantje als nachtwaker bij de parfumfabriek Boldoot. In maart 1942 overleed hij, in een rusthuis in Beverwijk. Zijn broer was elf jaar eerder al gestorven. Bonnetty was de eerste die als lastig tembare beesten bekendstaande katten aan zich wist te onderwerpen. Als zijn opvolger in de kattendressuur noemde het Haarlem’s Dagblad (14-6-1902) onder anderen Leon Clarke, die zelfs de bijnaam ‘Koning der Katten’ verwierf. Hij schijnt ook een kattenboek te hebben geschreven, als vroege voorloper van R. Kousbroek en M. Dekkers. Graag zien we hem terug in een volgend artikel.

Jessica Voeten, ‘Professor Bonnetty en zijn knappe katten’, Ons Amsterdam 68 (2016) 8-11.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Amsterdam voor Dummies en Duiten

DuitenboekIn het kader van de schaamteloze zelfpromotie: zowel de Engelse vertaling van mijn Kleine geschiedenis van Amsterdam voor Dummies als de langverwachte herdruk van de ‘tijdreisgids’ Amsterdam voor vijf duiten per dag zijn tegen neerslachtige prijzen te koop bij de betere boekwinkel en online!The-Little-History-of-Amsterdam-for-Dummies_117x165

The little history of Amsterdam for Dummies (Amersfoort 2015), in natuurgetrouwe vertaling van Benjamin Roberts, is al te krijgen voor 9,95 euro, terwijl Amsterdam voor vijf duiten per dag (Amsterdam 2015), dat ik schreef met Emma Los, in charmante paperbackeditie slechts 15 euro moet kosten. Beide boeken staan garant voor urenlang leesplezier.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Dooitse Eelkes Hinxt: een vergeten zeeheld uit Dokkum

Hinxt_KamperduinVergeet die over het paard getilde admiraal De Ruyter en sta eens stil bij marineofficier Dooitse Eelkes Hinxt (1741-1797). Deze zeeschuimer uit Dokkum kon razendsnel varen, pelde een eitje in het ‘bad van Nero’, verloor bijna zijn dochter bij Texel en raakte dodelijk gewond tijdens de Zeeslag bij Kamperduin.

 

Bescheten monument

Het grafmonument van Dooitse Eelkes Hinxt in Huisduinen ziet er letterlijk en figuurlijk nogal bescheten uit. De meeuwen hebben het niet onberoerd gelaten en in de ruim twee eeuwen die zijn verstreken sinds zijn begrafenis in 1797 lijkt er weinig aan onderhoud te zijn gebeurd. Toch was Hinxt de enige Nederlandse officier die na de Slag bij Kamperduin op 23 oktober 1797 met veel ceremonieel werd begraven. De vlaggen op de Bataafse vloot gingen halfstok en volgens een uitgekiend protocol met tientallen eresaluten, treurmuziek en een dodenmars brachten zoveel officieren – ‘als maar eenigzins van dezelven gemischt konden worden’ – zijn stoffelijk overschot naar het kerkhof. In de Bataafse pers verschenen twee lofdichten op Hinxt. Dirk Lenige uit Makkum noemde hem in zijn grafschrift onsterfelijk, ‘Hij leeft in ‘t hart van ‘t dankbaar VADERLAND’. Ook Johanna Jacoba van Beaumont, bij het grote publiek bekend als Netje Revolutionair, publiceerde (Nationaale Bataafsche Courant, 2-11-1797) een prachtig poëem. De ‘gryzen Hinxt’ had volgens haar ‘der helden lauwerkroon’ en ‘onsterfelyke eer’ verdiend met zijn heldhaftige optreden bij Kamperduin. Nadien ging het bergafwaarts met de aandacht voor de dappere Fries. In de negentiende eeuw werd de ‘vliegende vaart’ van zijn schip nog vergeleken met die van een topschaatser (Leeuwarder Courant, 6-2-1838) en kreeg hij een – bescheiden – lemma in het biografische naslagwerk van Van der Aa, die niet eens meer wist waar zijn geboorteplaats was.

Steigerende zwarte hengst

Dat Hinxt in de negentiende eeuw in de vergetelheid raakte, is niet verwonderlijk. Terwijl de helden van de Gouden Eeuw op een voetstuk werden geplaatst, zoals Rembrandt en admiraal De Ruyter, was er voor de achttiende-eeuwse sukkels uit de ‘Franse Tijd’ geen plaats in het vaderlandse pantheon. Ook in recente maritieme geschiedschrijving was de aandacht voor Hinxt gering of zelfs non-existent, totdat Nykle Dijkstra de man uit de vergetelheid rukte met een artikel in De Sneuper (nr. 119), het periodiek van de Historische Vereniging Noordoost Friesland, en een uitvoerig lemma op wikipedia. Hij  schetst het levensverhaal van de in Dokkum geboren Dooitse (Theodosius) Eelkes Hinxt. Als kind van rooms-katholieke ouders woonde hij aan de Diepswal (nu nr. 33), waar nog altijd een gevelsteen met een steigerende zwarte hengst is te zien: een mogelijke verwijzing naar de achternaam Hinxt. Net als zijn vader koos Dooitse Eelkes voor de koopvaardij: in 1763 was hij kapitein van een gloednieuw kofschip en in datzelfde jaar trouwde hij met Anna Gerryts uit Leeuwarden. Zijn vrouw overleed jong, waarna Hinxt hertrouwde met een vrouw uit Harlingen.

Snelheid

De Snelheid

In 1780 brak de Vierde Engelse Oorlog uit, een desastreuze strijd van de verzwakte Hollandse marine tegen de machtige Britten. Hinxt verkocht zijn schip en nam dienst bij de Friese Admiraliteit, waar hij als luitenant het bevel kreeg over de kotter Snelheid. De romp was beslagen met koperen plaatjes tegen aangroei en houtrot, waardoor het schip sneller en duurzamer was. Hinxt hoopte ‘dat hij soo zal loopen dat hij uijt de klauwen der Engelsen zou blijven’. Met een eskader stak de Snelheid in augustus 1782 in zee. Voor de Noorse kust moest Hinxt een sloepscheepje achtervolgen en dwingen om de Engelse vlag te strijken. Met krijgsgevangenen en het gekaapte scheepje hoopte hij op een beloning van duizend gulden, maar de Deense overheid gooide roet in het eten omdat het schip binnen een mijl van de Deense kust gekaapt was. Tot grote ontevredenheid van luitenant Hinxt ging de ‘prijs’ terug naar Denemarken. Bovendien hoorde hij geruchten als zou hij zijn sabel op de keel van zijn loods hebben gezet en gevaarlijk over de ondiepten zijn gevaren.

Bad van Nero

Na deze expeditie werd de Snelheid afgedankt, omdat er vrede in zicht was. Hinxt maakte zijn ongenoegen kenbaar aan de Admiraliteit. Hij schreef dat het hem ‘dapper speet’ dat hij enkele jaren eerder zijn kofschip had verkocht om zijn vaderland te dienen en dat hij nu ontslagen werd. Zijn brief had effect: de Admiraliteit stuurde Hinxt naar Nederlands-Guiana (Suriname). Hij was er getuige van dat deze kolonie op 3 maart 1784 in Paramaribo door de Fransen werd teruggeven aan de Nederlandse regering. Zelf maakte Hinxt zich vooral zorgen dat er voldoende proviand uit Republiek werd gestuurd, anders moest hij ‘gelijk de negers’ bananen te eten. In augustus 1785 was de Snelheid alweer terug in Texel. In 1787 moest Hinxt er weer op uit met een oorlogsvloot. De Snelheid was opnieuw het snelste schip van de vloot, maar van vechten kwam het niet erg. Op culinair gebied was er wel van alles te beleven, zo blijkt uit zijn kopieboek. In Bordeaux liet Hinxt voor een oude bekende een ‘beste Dokkumer kaas’ achter. Voor zichzelf kocht hij een emmer mosselen of dronk hij een glaasje zoete malaga nadat hij een storm had overleefd. Ook kookte en at hij een eitje het ‘bad van keizer Nero’, een warmwaterbron in Baia die indertijd bekendheid genoot als toeristische attractie. Zijn bemanning at vooral gort en bonen.

Op piratenjacht

Toen Hinxt op 1 oktober 1787 terug naar huis ging, trof hij een leeg huis aan in Harlingen. Zijn vrouw Elisabeth bleek aan tering te zijn overleden en zijn dochter Emerentiana (zes jaar) was aan koortsen gestorven. Zijn oudste dochter was bij haar tante gaan wonen en zijn jongste bij zijn nicht. Na deze tegenslag moest Hinxt snel weer naar zee, want er stond een missie naar de Middellandse Zee op stapel. In de buurt van Kaap Matapan ontmoette hij een vermoedelijke kaper. Hinxt vocht zich liever dood, dan zich over te geven en liet de kanonnen laden. Tijdens een vuurgevecht, waarbij een dode viel en een matroos een kogel door zijn bil kreeg – ‘tot voor boven de manlijkheid weeder uit’. In het Spaans ging Hinxt overleggen met de piraat, die een gewone Turkse koopvaardijkapitein bleek te zijn. Na overleg kon Hinxt eindelijk doorvaren.

De Beschermer, schip van Hinxt.

De Beschermer, schip van Hinxt.

De Beschermer

In de maanden daarna begon Hinxt te klagen over zijn konvooitaken, die vooral in de winter geen pretje waren. De reisjes waren ‘om dol van te worden als zeeman’. Begin 1790 mocht hij terugkeren in patria, al waren de kooplieden tevreden over zijn konvooidiensten. Ook buitenlandse koopvaarders waren onder de indruk en stelden Hinxt zelfs als voorbeeld voor de officieren van hun marinekorpsen. De Fries werd bevorderd tot kapitein-ter-zee en hertrouwde, met Catharina Joris de Haan, de dochter van een houtkoper uit Leeuwarden. Ze gingen wonen aan de Voorstraat 60 in Harlingen. In de strijd tussen patriotten en prinsgezinden neigde Hinxt naar de eerstgenoemden, die in 1795 de macht grepen met hulp van de Fransen. Zo kwam Hinxt in dienst van de nieuwe Bataafse marine. In 1796 kreeg hij het bevel over het grote linieschip De Beschermer. Naast een groep uit zijn geboorteplaats Dokkum stond ook Dooitses dochter Anna Hinxt op de monsterrol. Zij voer niet echt mee, maar zo kon hij stiekem wat extra geld verdienen.

Vrouwen aan en over boord

Als onderdeel van een vloot onder admiraal De Winter moest De Beschermer meedoen aan de geplande invasie van Ierland. Door de Britse blokkade durfde de Bataafse vloot echter niet uit te zeilen. In de zomer van 1797 lag de vloot daarom op de Rede van Texel. Kapitein Hinxt had zijn echtgenote en zijn dochter Anna Maria aan boord, want vrouwen mochten van de Bataven mee aan boord nemen. Op een zaterdagavond, na een diner aan boord van een ander schip, bleven de meeste officieren aan boord vanwege het slechte weer. Als goed katholiek wilde Hinxt echter naar de kerkdienst. Hij ging van boord, maar de boot liep vol water en de opvarenden konden ternauwernood gered worden. In de kajuit leek de dochter al dood te zijn. Ruim twee uur later sloeg het meisje haar ogen op en zei: waar ben ik. Anna Maria overleed later alsnog op jonge leeftijd, in 1801.

Maquette_van_vijf_scheepswrakken_uit_de_zeventiende_en_achttiende_eeuw_die_op_het_Burgzand,_de_Rede_van_Texel_gezonken_zijn_-_Oudeschild_-_20529069_-_RCE

Kamperduin

Op 8 oktober 1797 besloot De Winter om korte tijd uit te varen, zodat de bemanning enige ervaring kon opdoen. De Britse vloot kwam hiervan snel op de hoogte, en op 11 oktober 1797 troffen de beide eskaders elkaar, dicht bij de kust en het dorp Kamperduin. Tijdens een gevecht met een Britse schip raakte Hinxt al snel zwaargewond: zijn linkerarm en een vinger van zijn rechterhand waren eraf geschoten en ook aan zijn linkerdij was hij gewond. Vanuit de kajuit liet hij zijn mannen doorvechten, maar zij waren in een hopeloze situatie en verlieten het strijdtoneel. Het schip verloor negen man en telde 27 gewonden; in totaal hadden de Bataven tweemaal zoveel dodelijke slachtoffers als de Britten, die ook nog eens elf schepen veroverden. Als resultaat van de slag bij Kamperduin werd de expeditie naar Ierland uitgesteld en uiteindelijk afgelast vanwege slecht weer. Dooitse Eelkes Hinxt maakte het allemaal niet meer mee: op 20 oktober 1797 was hij aan zijn verwondingen overleden.

Nykle Dijkstra, ‘Dokkumer kapitein verwierf “der helden lauwerkroon”’, De Sneuper nr. 199 (2015) 8-13.

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Kaukasisch getrompetter van een zeldzaam olifantentalent

Verhagens olifant in Stuttgart, februari 1697.

Verhagens olifant in Stuttgart, februari 1697.

Olifanten waren zeldzaam en konden hun baasjes veel geld opleveren in het zeventiende-eeuwse Europa, zo blijkt uit de onlangs beschreven levensloop van de Indische vrouwtjesolifant van herbergier Bartel Verhagen.

In de Gouden Eeuw waren mensen bereid diep in de buidel te tasten om een olifant te zien. De kolossale ‘wonderdieren’ waren immers uiterst zeldzaam en vertoonden dikwijls ook nog bijzondere kunstjes. Eigenaren of begeleiders toonden de beesten vooral op drukke jaarmarkten, maar ook in menagerieën, zoals de voorlopers van dierentuinen heetten.

De Witte Olifant

De Amsterdammer Bartel Verhagen (?-1703) stuurde zijn Indische vrouwtjesolifant decennialang op tournee door heel Europa: van Leipzig en Wenen, Bologna en Lucca tot de Oostzeesteden Danzig (Gdańsk) en Koningsbergen (Kaliningrad) en Londen. Het overzeese dierentransport gebeurde waarschijnlijk met een eigen schip, de Juffrouw Maria – genoemd naar Verhagens oudste dochter (Stadsarchief Amsterdam, Archief 5075, inv. nr. 5258B, bevrachtingscontract 1.8.1689).

Op die Europese reizen werd de olifant begeleid door de dompteur Jan Baptista Jansz. Zelf was Verhagen sinds 1681 eigenaar van een herberg aan de Botermarkt (nu: Rembrandtplein), die de toepasselijke naam De Witte Olifant kreeg. Het is onduidelijk of de olifant ook hier te zien was, zo schrijft Michiel Roscam Abbing in een informatief artikel in het laatste Jaarboek Amstelodamum (2014). Eerder beschreef dezelfde auteur al het levensverhaal van ‘Hansken’, de olifant die Rembrandt schilderde. Hansken kon onder meer schermen met een degen, geld van de grond oprapen met zijn slurf en zwaaien met een vlag. De olifant van Verhagen deed daar niet aan onder. Het beest was bekwaam in verschillende ‘exercitia militaria’: oefeningen soldaten die deden, zoals marcheren met een geweer en dit wapen afvuren.

‘Trompet spelen op Circassische wijze’

De Indische olifant van Verhagen was ook muzikaal. Behalve op een trommel slaan kon ze aardig trompetspelen. Vermoedelijk gebeurde dat met haar slurf, maar volgens een anonieme Russische reiziger blies zij echt op een trompet, hoewel dat ook een vertaalfout kan zijn. Op een markt in Amsterdam – denkelijk tijdens de jaarlijkse kermis in september – zag hij in 1697 een grote olifant, die ‘menuetten speelde, op Turksche en Circassische wijze een trompet blies, met een musket schoot, allerlei kunsten uitvoerde en met een hond speelde, die steeds bij hem was.’ (geciteerd in: Jaarboek Amstelodamum 33 (1936) 161). Met die hond bedoelde de Rus vermoedelijk het onooglijke beestje dat Verhagens vrouwtjesolifant vergezelde op haar Europese reizen: volgens sommige ooggetuigen was het een Afrikaanse ezel of aardvarken, anderen zagen er een soort mandril in.

Reclameprent voor Verhagens olifant, ongedateerd.

Reclameprent voor Verhagens olifant, ongedateerd.

Het trompetspelen door de olifant wordt ook beschreven op reclameprenten. Daarbij gaat het niet om menuetten of Kaukasische speltechnieken, maar om eenvoudig trompetteren met de slurf, zoals we dat uit de dierentuin en natuurfilms kennen. Tijdens de show werd haar gevraagd wat ze van de Duitse keizer vond, of in Engeland van Queen Ann, waarna ze met haar slurf op haar hart wees en respectvol trompetterde. Bij het noemen van de Turken of de Ottomaanse sultan maakte ze een vreselijk geluid en schudde ze met haar hoofd.

Olifant014

Kopergravure van de in Dundee opgezette en tentoongestelde olifant, ca. 1710.

Na het overlijden van eigenaar Bartel Verhagen, in 1703, ging het ook bergafwaarts met zijn bekende olifant. Tijdens een uitputtende tournee door Schotland stortte het beest vlak voor Dundee neer als gevolg van de gelopen dagmarsen. Zijn begeleiders besloten een kuil te graven, waarin ze kon uitrusten, doch deze liep vol met regen en de olifant verdronk in het hemelwater. De plaatselijke arts beschreef en ontleedde het levenloze olifantenlichaam. Het skelet stelde hij op in zijn eigen museumpje en de huid spande hij op een houten frame. Kort voor 1825 is het gehele rariteitenkabinet van de arts in Dundee opgedoekt, waarna de botten van Verhagens olifant zijn verpulverd en als mest uitgestrooid over Schotse akkers. Sic transit gloria mundi, zouden ze in de zeventiende eeuw zeggen.

Michiel Roscam Abbing, ‘”So een wunder heeft men hier nooijt gesien”. De Indische vrouwtjesolifant (1678/80-1706) van Bartel Verhagen, Jaarboek Amstelodamum 106 (2014) 68-95.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , | 1 reactie

De dienstmeid van Van der Helst

Bartholomeus_van_der_Helst_self_portrait_1667_cropped

De schilder in 1667 met in zijn hand een medaillon met een miniatuurportretje van Maria Henriëtte Stuart, de weduwe van stadhouder Willem II.

Zijn werk is genoegzaam bekend, maar over het leven van kunstschilder Bartholomeus van der Helst, (1613-1670) weten we weinig. Een onverwacht inkijkje in zijn huishouden geven de Amsterdamse confessieboeken, waarin de verhoren van verdachten en getuigen stonden opgetekend.

Drie prachtige regentenstukken van Van der Helst zijn momenteel te zien in de grote benedenzaal van de Herenvleugel in het Hermitage Amsterdam. Op de gezamenlijke tentoonstelling van het Amsterdam Museum en het Rijksmuseum – Hollanders van de Gouden Eeuw – kijk je recht in de ogen van de overlieden van de Handboogdoelen, de regenten en regentessen van het Spinhuis en de regenten van het Walenweeshuis. In de zeventiende en achttiende eeuw was er grote waardering voor het werk van Van der Helst, maar in de negentiende eeuw was hij opeens de ‘eeuwige tweede’ – na Rembrandt, die tot nationale kunstheld was verheven. Het ouderwetse vakmanschap van Van der Helst stak magertjes af bij moderne kunstopvattingen, zoals van de impressionisten, en het beeld van de kunstenaar als genie. De kunstschilder raakte enigszins in de vergetelheid, of zoals volksschrijver Gerard Reve het in 1980 zo fraai verwoordde: ‘Niemand weet toch meer wie Tweede van der Helst was?’ Pas de laatste decennia is er sprake van enige herwaardering voor zijn oeuvre.

In haar dissertatie over Bartholomeus van der Helst uit 2011 geeft kunsthistorica Judith van Gent al een baaierd aan informatie over het leven en vooral over het werk van de kunstschilder. Net als bij Rembrandt heerst er al meteen onduidelijkheid over zijn geboortejaar: dit kan 1612 of 1613 zijn geweest. Wel weten we dat hij de tweede zoon was van een Haarlemse herbergier, Lodewijck Lowys van der Helst, en Aeltje Bartels. In Amsterdam trouwde hij met het achttienjarige weesmeisje Anna du Pire. Ze kregen zes kinderen, van wie er slechts twee volwassen zouden worden. Aanvankelijk woonde het stel op de Nieuwmarkt, tegenover de Waag. Daarnaast huurde de schilder vanaf 1647 een huis op het Walenpleintje, vermoedelijk in gebruik als atelier. Vanaf 1650 woonden de Van der Helsts in de Nieuwe Doelenstraat, maar vijftien jaar later keerden zij terug naar de Nieuwmarkt.

Slechts sporadisch komen we iets te weten over het privéleven van Van der Helst. Zoals over de mishandeling van zijn waterhond in 1653. De schilder zat in het Oudezijds Herenlogement toen zijn trouwe viervoeter plotseling achter de kippen op de buitenplaats aanrende. Een knecht pakte de hond op en smeet deze in het ‘secreet’, de wc. De schilder liet getuigen deze dierenmishandeling beschrijven voor een notaris. Eveneens in een notariële akte leren we iets over de eerste dienstmeid van de schilder, Cornelia Willems. In 1648, nota bene het vredesjaar, kreeg de vrouw des huizes slaande ruzie met haar. Ze wilde de dienstmeid met een bierkan de hersens inslaan, maar deze ontweek en de aardewerken kan vloog door het raam. Vervolgens liet ze de knecht haar de meid op straat zetten. Onthutst zocht ze – ‘seer verbaest, huijlende ende crijtende’ – een veilig onderkomen bij een van de buren.

Diklijvige Duitse dienstmeid

Kort na de ruzie zal Cornelia Willems zijn ontslagen, want in januari 1650 is er sprake van een andere meid. De kunstschilder woonde inmiddels in de Nieuwe Doelenstraat, zo leren ons de confessieboeken van het Amsterdamse gerecht (Archief 5061, inv. nr. 308, f. 75-76, d.d. 6.1.1650). Hierin staan de verhoren van gevangenen die verdacht werden van kleine criminaliteit, zoals diefstal, bedelarij, vechtpartijen, dronkenschap en zedendelicten, hoewel er ook ernstiger misdaden in zijn te vinden. De verdachten kwamen grotendeels uit de lagere sociale klassen, want voor gezeten burgers was het een schande om in het confessieboek vermeld te worden. Van der Helst en zijn vrouw komen er dan ook niet in voor als verdachten, maar als getuigen.

De verdachte is Trijntge Barents, de ‘dicklijvige’ 18-jarige Duitse dienstmeid van Van der Helst. Zij zou in het huis van haar meester in de Doelenstraat zijn bevallen van een – volgens haar – dood kind. De arts Jan Du Pire, tevens de zwager van Van der Helst, was gekomen om de verzwakte meid te onderzoeken, maar de vogel was al gevlogen. Haar bed op de bovenverdieping zat echter onder het bloed en in de kelder lag het lijkje van een pasgeboren kind, gehuld in een blauwe doek. Bartholomeus en zijn vrouw Anna moesten afzonderlijk getuigen, vermoedelijk om hun versies te onderling te vergelijken, terwijl ook Van der Helsts leerling Marcus Waltes werd ondervraagd. Toch was het onwettige kind niet van de kunstschilder, zoals je misschien zou verwachten. Zelf noemde de dienstmeid haar vorige werkgever, de heer Steenhoven, als de vader.

De vlucht van de Duitse dienstmeid is eenvoudig te verklaren. Ze vreesde voor rechtsvervolging, want infanticide werd indertijd streng bestraft (zie recentelijk: Manon van der Heijden, Misdadige vrouwen) De gangbare straf voor gearresteerde kindermoordenaars was wurging aan een paal, hoewel de doodstraf zelden werd opgelegd omdat het lastig te bewijzen was dat een kind had geleefd en bewust was omgebracht. Ook de wanhoopsdaad van Trijntge Barents lijkt onbestraft te zijn gebleven, want haar naam ontbreekt in de vonnisboeken. Mogelijkerwijs is zij teruggekeerd naar haar heimat, een piepklein dorpje in Noordrijn-Westfalen, al kan ze ook tijdelijk zijn ondergedoken bij haar familie in Amsterdam: haar oom werkte in de stad als kalkdrager. Hoe dan ook: Van der Helst en zijn echtgenote konden wederom op zoek naar een nieuw dienstmeisje.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Concurrerende postbedrijven in de zestiende eeuw

Bodebus Amsterdam 1548, Rijksmuseum BK-AM-15-A

Bodebus Amsterdam 1548, Rijksmuseum BK-AM-15-A

Adequate communicatiemiddelen zijn onontbeerlijk voor een goed bestuur: dat wisten de Habsburgse monarchen machthebbers al rond 1500. Naast hun Rijkspost bood het stadsbodennetwerk echter grote voordelen voor de Hollandse steden, zo leren we van Monica Verhoog in Holland.

Historica Verhoog won de scriptieprijs 2012 van  historisch tijdschrift Holland met haar onderzoek ‘Met roe en bodebus door stad en land. Het bodennetwerk van Amsterdam, Leiden en Haarlem tussen 1531-1555’. Eerder schreef Wolfgang Behringer over de in 1488 door Maximiliaan van Oostenrijk opgezette Rijkspost: het eerste postbedrijf dat internationaal opereerde en alle gebieden onder keizerlijk gezag met elkaar verbond. Onder Karel V (1516-1555) werd dit systeem verder geperfectioneerd, zodat er vaste verbindingen ontstonden tussen diens verspreide gebieden in de Nederlanden, Oostenrijk, Spanje en Italië en bijvoorbeeld het Franse hof.

Voordelen van de stadsbodennetwerken

De Rijkspost betekende een grote stap voorwaarts voor de informatie-uitwisseling. Koeriers vertrokken op geregelde tijdstippen vanuit vaste halteplaatsen en de aankomst van de brief was voorspelbaar geworden. Verhoog wijst erop dat de ouderwetse bodensystemen van de Hollandse steden bleven bestaan naast de Rijkspost, soms tot ver in de achttiende eeuw. Terwijl de Rijkspostkoeriers één dag per week naar het eindpunt van de route vertrokken, bijvoorbeeld van Brussel naar Parijs, konden stadsbestuurders hun brieven op iedere dag van de week meegeven aan hun reizende boden, uitgezonderd de zondag. Hierdoor waren stadsboden eerder ter plaatse dan hun keizerlijke concurrenten. Bovendien kregen stedelijke boden soms mondeling antwoord, terwijl dat niet binnen het takenpakket van de Rijkspostbesteller viel.

Volgens Verhoog, die zich vooral baseert op de stadsrekeningen van de drie Hollandse steden Amsterdam, Leiden en Haarlem, waren de stadsboden ook goedkoper. De Rijkspost had hoge onkosten, omdat paarden en ruiters voortdurend aanwezig moesten zijn op hun aflosplekken. Bij de steden drukten de bodelonen minder zwaar op de kas, omdat ze alleen betaalden voor boden die op reis waren en er geen paarden hoefden te worden verzorgd. Paarden waren duur, maar bij urgente zaken werden ze wel van stal gehaald. Haastbrieven en zware geschenken zoals tonnen bier werden ook wel per wagen verzonden. Deze karren, getrokken door os of paard en geleid door een voerman, werden ad hoc ingehuurd. Ze kostten de stad een klein kapitaal.

In het waterrijke Holland waren schepen, schuiten en veren veruit de handigste vervoersmiddelen voor de stadsboden. Toch werd ook hier relatief weinig gebruik van gemaakt, ‘zodat het meest aannemelijke transportmiddel toch de benenwagen blijft’, aldus Verhoog. De afstand van Leiden naar Den Haag liepen zij bijvoorbeeld in maximaal vier uur. Internationale reizen, zoals vooral de Amsterdamse boden die maakten, gebeurden uiteraard wel per schip. Haarlemse boden kwamen geregeld in Gent, Hasselt of Calais, terwijl de brieven van de Amsterdamse bestuurders tot ver in het Oostzeegebied arriveerden in steden als Danzig (Gdańsk) en zelfs Reval (Tallinn). De meesten bodereizen gingen echter naar Den Haag, waar immers de Statenvergadering en het Hof van Holland bijeenkwamen.

Stadsbode met roede.

Stadsbode met roede.

Roedragend en reizend

De betrouwbaarheid van de stadsboden was van cruciaal belang. Berichten van de Amsterdamse bestuurders kwamen zelden niet aan op de eindbestemming. Vergeefs was bijvoorbeeld de zoektocht van een Amsterdamse bode in Utrecht en Haarlem ‘omme te hebben eenen biechtvader die Spaensche tael kennende omme biecht te hebben drie Spaengaerts, alhier van die neije gevangen’. De bode moest ook voldoende vertrouwd worden door de ontvanger om een mondeling antwoord te kunnen terugverwachten. In Verhoogs betoog over de betrouwbaarheid ontbreekt informatie over een verplichte eed die stadsboden moesten afleggen, zoals de in Amsterdam gebruikelijke benaming ‘gezwooren loopers’ aangeeft (Jan ter Gouw, Geschiedenis van Amsterdam, dl. V, 340).

In haar artikel maakt Verhoog ook geen onderscheid tussen de ‘roe(de)dragende stadsboden’ en de reizende boden. Eerstgenoemden dienden vooral in de stad zelf ter assistentie van bestuur en justitie en stonden – in Amsterdam – onder toezicht van de conciërge van het stadhuis. Het tiental was herkenbaar aan een livrei, een paltrok in rood, wit en zwart en droeg bovendien een kleine roede of staf. Ook de roedragende boden moesten weleens op reis in stadsdienst, waartoe zij ‘s winters gekleed gingen in een speciale Ierse mantel. In hun hoedanigheid als gerechtsdienaar en deurwaarder zullen zij belast zijn geweest met de begeleiding van gevangenen en het doen van aanzeggingen buiten de stadspoorten: taken die Verhoog aan de reizende boden toeschrijft.

Roede van bode.

Handzame roede van bode.

Verder blijven de individuele boden en de sociale achtergrond van deze ambtenaren onderbelicht. Volgens Behringer zou de politieke en sociale macht van de stadsboden in de lokale gemeenschap een verklaring zijn voor het voortbestaan van het stadsbodensysteem na de oprichting van de Rijkspost. Dan is het dus van belang wat voor soort mannen – want het waren alleen mannen – als stadsbode diende. Zo werd iemand als Claes Gerritsz Plemp, verwant aan de Amsterdamse regentenkliek, in 1531 naar Edam gestuurd om te vernemen ‘hoe de saken van den coninck aldair ghingen’ (Ter Gouw, Amsterdam, dl. IV, 216). Stond zo’n ad hoc bode in maatschappelijk opzicht boven een gewone stadsbode in vaste dienst? Kortom, het boeiende onderzoek van Verhoog leidt tot nieuwe vragen over deze onderbelichte kant van het zestiende-eeuwse Holland.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen