Dooitse Eelkes Hinxt: een vergeten zeeheld uit Dokkum

Hinxt_KamperduinVergeet die over het paard getilde admiraal De Ruyter en sta eens stil bij marineofficier Dooitse Eelkes Hinxt (1741-1797). Deze zeeschuimer uit Dokkum kon razendsnel varen, pelde een eitje in het ‘bad van Nero’, verloor bijna zijn dochter bij Texel en raakte dodelijk gewond tijdens de Zeeslag bij Kamperduin.

 

Bescheten monument

Het grafmonument van Dooitse Eelkes Hinxt in Huisduinen ziet er letterlijk en figuurlijk nogal bescheten uit. De meeuwen hebben het niet onberoerd gelaten en in de ruim twee eeuwen die zijn verstreken sinds zijn begrafenis in 1797 lijkt er weinig aan onderhoud te zijn gebeurd. Toch was Hinxt de enige Nederlandse officier die na de Slag bij Kamperduin op 23 oktober 1797 met veel ceremonieel werd begraven. De vlaggen op de Bataafse vloot gingen halfstok en volgens een uitgekiend protocol met tientallen eresaluten, treurmuziek en een dodenmars brachten zoveel officieren – ‘als maar eenigzins van dezelven gemischt konden worden’ – zijn stoffelijk overschot naar het kerkhof. In de Bataafse pers verschenen twee lofdichten op Hinxt. Dirk Lenige uit Makkum noemde hem in zijn grafschrift onsterfelijk, ‘Hij leeft in ‘t hart van ‘t dankbaar VADERLAND’. Ook Johanna Jacoba van Beaumont, bij het grote publiek bekend als Netje Revolutionair, publiceerde (Nationaale Bataafsche Courant, 2-11-1797) een prachtig poëem. De ‘gryzen Hinxt’ had volgens haar ‘der helden lauwerkroon’ en ‘onsterfelyke eer’ verdiend met zijn heldhaftige optreden bij Kamperduin. Nadien ging het bergafwaarts met de aandacht voor de dappere Fries. In de negentiende eeuw werd de ‘vliegende vaart’ van zijn schip nog vergeleken met die van een topschaatser (Leeuwarder Courant, 6-2-1838) en kreeg hij een – bescheiden – lemma in het biografische naslagwerk van Van der Aa, die niet eens meer wist waar zijn geboorteplaats was.

Steigerende zwarte hengst

Dat Hinxt in de negentiende eeuw in de vergetelheid raakte, is niet verwonderlijk. Terwijl de helden van de Gouden Eeuw op een voetstuk werden geplaatst, zoals Rembrandt en admiraal De Ruyter, was er voor de achttiende-eeuwse sukkels uit de ‘Franse Tijd’ geen plaats in het vaderlandse pantheon. Ook in recente maritieme geschiedschrijving was de aandacht voor Hinxt gering of zelfs non-existent, totdat Nykle Dijkstra de man uit de vergetelheid rukte met een artikel in De Sneuper (nr. 119), het periodiek van de Historische Vereniging Noordoost Friesland, en een uitvoerig lemma op wikipedia. Hij  schetst het levensverhaal van de in Dokkum geboren Dooitse (Theodosius) Eelkes Hinxt. Als kind van rooms-katholieke ouders woonde hij aan de Diepswal (nu nr. 33), waar nog altijd een gevelsteen met een steigerende zwarte hengst is te zien: een mogelijke verwijzing naar de achternaam Hinxt. Net als zijn vader koos Dooitse Eelkes voor de koopvaardij: in 1763 was hij kapitein van een gloednieuw kofschip en in datzelfde jaar trouwde hij met Anna Gerryts uit Leeuwarden. Zijn vrouw overleed jong, waarna Hinxt hertrouwde met een vrouw uit Harlingen.

Snelheid

De Snelheid

In 1780 brak de Vierde Engelse Oorlog uit, een desastreuze strijd van de verzwakte Hollandse marine tegen de machtige Britten. Hinxt verkocht zijn schip en nam dienst bij de Friese Admiraliteit, waar hij als luitenant het bevel kreeg over de kotter Snelheid. De romp was beslagen met koperen plaatjes tegen aangroei en houtrot, waardoor het schip sneller en duurzamer was. Hinxt hoopte ‘dat hij soo zal loopen dat hij uijt de klauwen der Engelsen zou blijven’. Met een eskader stak de Snelheid in augustus 1782 in zee. Voor de Noorse kust moest Hinxt een sloepscheepje achtervolgen en dwingen om de Engelse vlag te strijken. Met krijgsgevangenen en het gekaapte scheepje hoopte hij op een beloning van duizend gulden, maar de Deense overheid gooide roet in het eten omdat het schip binnen een mijl van de Deense kust gekaapt was. Tot grote ontevredenheid van luitenant Hinxt ging de ‘prijs’ terug naar Denemarken. Bovendien hoorde hij geruchten als zou hij zijn sabel op de keel van zijn loods hebben gezet en gevaarlijk over de ondiepten zijn gevaren.

Bad van Nero

Na deze expeditie werd de Snelheid afgedankt, omdat er vrede in zicht was. Hinxt maakte zijn ongenoegen kenbaar aan de Admiraliteit. Hij schreef dat het hem ‘dapper speet’ dat hij enkele jaren eerder zijn kofschip had verkocht om zijn vaderland te dienen en dat hij nu ontslagen werd. Zijn brief had effect: de Admiraliteit stuurde Hinxt naar Nederlands-Guiana (Suriname). Hij was er getuige van dat deze kolonie op 3 maart 1784 in Paramaribo door de Fransen werd teruggeven aan de Nederlandse regering. Zelf maakte Hinxt zich vooral zorgen dat er voldoende proviand uit Republiek werd gestuurd, anders moest hij ‘gelijk de negers’ bananen te eten. In augustus 1785 was de Snelheid alweer terug in Texel. In 1787 moest Hinxt er weer op uit met een oorlogsvloot. De Snelheid was opnieuw het snelste schip van de vloot, maar van vechten kwam het niet erg. Op culinair gebied was er wel van alles te beleven, zo blijkt uit zijn kopieboek. In Bordeaux liet Hinxt voor een oude bekende een ‘beste Dokkumer kaas’ achter. Voor zichzelf kocht hij een emmer mosselen of dronk hij een glaasje zoete malaga nadat hij een storm had overleefd. Ook kookte en at hij een eitje het ‘bad van keizer Nero’, een warmwaterbron in Baia die indertijd bekendheid genoot als toeristische attractie. Zijn bemanning at vooral gort en bonen.

Op piratenjacht

Toen Hinxt op 1 oktober 1787 terug naar huis ging, trof hij een leeg huis aan in Harlingen. Zijn vrouw Elisabeth bleek aan tering te zijn overleden en zijn dochter Emerentiana (zes jaar) was aan koortsen gestorven. Zijn oudste dochter was bij haar tante gaan wonen en zijn jongste bij zijn nicht. Na deze tegenslag moest Hinxt snel weer naar zee, want er stond een missie naar de Middellandse Zee op stapel. In de buurt van Kaap Matapan ontmoette hij een vermoedelijke kaper. Hinxt vocht zich liever dood, dan zich over te geven en liet de kanonnen laden. Tijdens een vuurgevecht, waarbij een dode viel en een matroos een kogel door zijn bil kreeg – ‘tot voor boven de manlijkheid weeder uit’. In het Spaans ging Hinxt overleggen met de piraat, die een gewone Turkse koopvaardijkapitein bleek te zijn. Na overleg kon Hinxt eindelijk doorvaren.

De Beschermer, schip van Hinxt.

De Beschermer, schip van Hinxt.

De Beschermer

In de maanden daarna begon Hinxt te klagen over zijn konvooitaken, die vooral in de winter geen pretje waren. De reisjes waren ‘om dol van te worden als zeeman’. Begin 1790 mocht hij terugkeren in patria, al waren de kooplieden tevreden over zijn konvooidiensten. Ook buitenlandse koopvaarders waren onder de indruk en stelden Hinxt zelfs als voorbeeld voor de officieren van hun marinekorpsen. De Fries werd bevorderd tot kapitein-ter-zee en hertrouwde, met Catharina Joris de Haan, de dochter van een houtkoper uit Leeuwarden. Ze gingen wonen aan de Voorstraat 60 in Harlingen. In de strijd tussen patriotten en prinsgezinden neigde Hinxt naar de eerstgenoemden, die in 1795 de macht grepen met hulp van de Fransen. Zo kwam Hinxt in dienst van de nieuwe Bataafse marine. In 1796 kreeg hij het bevel over het grote linieschip De Beschermer. Naast een groep uit zijn geboorteplaats Dokkum stond ook Dooitses dochter Anna Hinxt op de monsterrol. Zij voer niet echt mee, maar zo kon hij stiekem wat extra geld verdienen.

Vrouwen aan en over boord

Als onderdeel van een vloot onder admiraal De Winter moest De Beschermer meedoen aan de geplande invasie van Ierland. Door de Britse blokkade durfde de Bataafse vloot echter niet uit te zeilen. In de zomer van 1797 lag de vloot daarom op de Rede van Texel. Kapitein Hinxt had zijn echtgenote en zijn dochter Anna Maria aan boord, want vrouwen mochten van de Bataven mee aan boord nemen. Op een zaterdagavond, na een diner aan boord van een ander schip, bleven de meeste officieren aan boord vanwege het slechte weer. Als goed katholiek wilde Hinxt echter naar de kerkdienst. Hij ging van boord, maar de boot liep vol water en de opvarenden konden ternauwernood gered worden. In de kajuit leek de dochter al dood te zijn. Ruim twee uur later sloeg het meisje haar ogen op en zei: waar ben ik. Anna Maria overleed later alsnog op jonge leeftijd, in 1801.

Maquette_van_vijf_scheepswrakken_uit_de_zeventiende_en_achttiende_eeuw_die_op_het_Burgzand,_de_Rede_van_Texel_gezonken_zijn_-_Oudeschild_-_20529069_-_RCE

Kamperduin

Op 8 oktober 1797 besloot De Winter om korte tijd uit te varen, zodat de bemanning enige ervaring kon opdoen. De Britse vloot kwam hiervan snel op de hoogte, en op 11 oktober 1797 troffen de beide eskaders elkaar, dicht bij de kust en het dorp Kamperduin. Tijdens een gevecht met een Britse schip raakte Hinxt al snel zwaargewond: zijn linkerarm en een vinger van zijn rechterhand waren eraf geschoten en ook aan zijn linkerdij was hij gewond. Vanuit de kajuit liet hij zijn mannen doorvechten, maar zij waren in een hopeloze situatie en verlieten het strijdtoneel. Het schip verloor negen man en telde 27 gewonden; in totaal hadden de Bataven tweemaal zoveel dodelijke slachtoffers als de Britten, die ook nog eens elf schepen veroverden. Als resultaat van de slag bij Kamperduin werd de expeditie naar Ierland uitgesteld en uiteindelijk afgelast vanwege slecht weer. Dooitse Eelkes Hinxt maakte het allemaal niet meer mee: op 20 oktober 1797 was hij aan zijn verwondingen overleden.

Nykle Dijkstra, ‘Dokkumer kapitein verwierf “der helden lauwerkroon”’, De Sneuper nr. 199 (2015) 8-13.

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Kaukasisch getrompetter van een zeldzaam olifantentalent

Verhagens olifant in Stuttgart, februari 1697.

Verhagens olifant in Stuttgart, februari 1697.

Olifanten waren zeldzaam en konden hun baasjes veel geld opleveren in het zeventiende-eeuwse Europa, zo blijkt uit de onlangs beschreven levensloop van de Indische vrouwtjesolifant van herbergier Bartel Verhagen.

In de Gouden Eeuw waren mensen bereid diep in de buidel te tasten om een olifant te zien. De kolossale ‘wonderdieren’ waren immers uiterst zeldzaam en vertoonden dikwijls ook nog bijzondere kunstjes. Eigenaren of begeleiders toonden de beesten vooral op drukke jaarmarkten, maar ook in menagerieën, zoals de voorlopers van dierentuinen heetten.

De Witte Olifant

De Amsterdammer Bartel Verhagen (?-1703) stuurde zijn Indische vrouwtjesolifant decennialang op tournee door heel Europa: van Leipzig en Wenen, Bologna en Lucca tot de Oostzeesteden Danzig (Gdańsk) en Koningsbergen (Kaliningrad) en Londen. Het overzeese dierentransport gebeurde waarschijnlijk met een eigen schip, de Juffrouw Maria – genoemd naar Verhagens oudste dochter (Stadsarchief Amsterdam, Archief 5075, inv. nr. 5258B, bevrachtingscontract 1.8.1689).

Op die Europese reizen werd de olifant begeleid door de dompteur Jan Baptista Jansz. Zelf was Verhagen sinds 1681 eigenaar van een herberg aan de Botermarkt (nu: Rembrandtplein), die de toepasselijke naam De Witte Olifant kreeg. Het is onduidelijk of de olifant ook hier te zien was, zo schrijft Michiel Roscam Abbing in een informatief artikel in het laatste Jaarboek Amstelodamum (2014). Eerder beschreef dezelfde auteur al het levensverhaal van ‘Hansken’, de olifant die Rembrandt schilderde. Hansken kon onder meer schermen met een degen, geld van de grond oprapen met zijn slurf en zwaaien met een vlag. De olifant van Verhagen deed daar niet aan onder. Het beest was bekwaam in verschillende ‘exercitia militaria’: oefeningen soldaten die deden, zoals marcheren met een geweer en dit wapen afvuren.

‘Trompet spelen op Circassische wijze’

De Indische olifant van Verhagen was ook muzikaal. Behalve op een trommel slaan kon ze aardig trompetspelen. Vermoedelijk gebeurde dat met haar slurf, maar volgens een anonieme Russische reiziger blies zij echt op een trompet, hoewel dat ook een vertaalfout kan zijn. Op een markt in Amsterdam – denkelijk tijdens de jaarlijkse kermis in september – zag hij in 1697 een grote olifant, die ‘menuetten speelde, op Turksche en Circassische wijze een trompet blies, met een musket schoot, allerlei kunsten uitvoerde en met een hond speelde, die steeds bij hem was.’ (geciteerd in: Jaarboek Amstelodamum 33 (1936) 161). Met die hond bedoelde de Rus vermoedelijk het onooglijke beestje dat Verhagens vrouwtjesolifant vergezelde op haar Europese reizen: volgens sommige ooggetuigen was het een Afrikaanse ezel of aardvarken, anderen zagen er een soort mandril in.

Reclameprent voor Verhagens olifant, ongedateerd.

Reclameprent voor Verhagens olifant, ongedateerd.

Het trompetspelen door de olifant wordt ook beschreven op reclameprenten. Daarbij gaat het niet om menuetten of Kaukasische speltechnieken, maar om eenvoudig trompetteren met de slurf, zoals we dat uit de dierentuin en natuurfilms kennen. Tijdens de show werd haar gevraagd wat ze van de Duitse keizer vond, of in Engeland van Queen Ann, waarna ze met haar slurf op haar hart wees en respectvol trompetterde. Bij het noemen van de Turken of de Ottomaanse sultan maakte ze een vreselijk geluid en schudde ze met haar hoofd.

Olifant014

Kopergravure van de in Dundee opgezette en tentoongestelde olifant, ca. 1710.

Na het overlijden van eigenaar Bartel Verhagen, in 1703, ging het ook bergafwaarts met zijn bekende olifant. Tijdens een uitputtende tournee door Schotland stortte het beest vlak voor Dundee neer als gevolg van de gelopen dagmarsen. Zijn begeleiders besloten een kuil te graven, waarin ze kon uitrusten, doch deze liep vol met regen en de olifant verdronk in het hemelwater. De plaatselijke arts beschreef en ontleedde het levenloze olifantenlichaam. Het skelet stelde hij op in zijn eigen museumpje en de huid spande hij op een houten frame. Kort voor 1825 is het gehele rariteitenkabinet van de arts in Dundee opgedoekt, waarna de botten van Verhagens olifant zijn verpulverd en als mest uitgestrooid over Schotse akkers. Sic transit gloria mundi, zouden ze in de zeventiende eeuw zeggen.

Michiel Roscam Abbing, ‘”So een wunder heeft men hier nooijt gesien”. De Indische vrouwtjesolifant (1678/80-1706) van Bartel Verhagen, Jaarboek Amstelodamum 106 (2014) 68-95.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , | 1 reactie

De dienstmeid van Van der Helst

Bartholomeus_van_der_Helst_self_portrait_1667_cropped

De schilder in 1667 met in zijn hand een medaillon met een miniatuurportretje van Maria Henriëtte Stuart, de weduwe van stadhouder Willem II.

Zijn werk is genoegzaam bekend, maar over het leven van kunstschilder Bartholomeus van der Helst, (1613-1670) weten we weinig. Een onverwacht inkijkje in zijn huishouden geven de Amsterdamse confessieboeken, waarin de verhoren van verdachten en getuigen stonden opgetekend.

Drie prachtige regentenstukken van Van der Helst zijn momenteel te zien in de grote benedenzaal van de Herenvleugel in het Hermitage Amsterdam. Op de gezamenlijke tentoonstelling van het Amsterdam Museum en het Rijksmuseum – Hollanders van de Gouden Eeuw – kijk je recht in de ogen van de overlieden van de Handboogdoelen, de regenten en regentessen van het Spinhuis en de regenten van het Walenweeshuis. In de zeventiende en achttiende eeuw was er grote waardering voor het werk van Van der Helst, maar in de negentiende eeuw was hij opeens de ‘eeuwige tweede’ – na Rembrandt, die tot nationale kunstheld was verheven. Het ouderwetse vakmanschap van Van der Helst stak magertjes af bij moderne kunstopvattingen, zoals van de impressionisten, en het beeld van de kunstenaar als genie. De kunstschilder raakte enigszins in de vergetelheid, of zoals volksschrijver Gerard Reve het in 1980 zo fraai verwoordde: ‘Niemand weet toch meer wie Tweede van der Helst was?’ Pas de laatste decennia is er sprake van enige herwaardering voor zijn oeuvre.

In haar dissertatie over Bartholomeus van der Helst uit 2011 geeft kunsthistorica Judith van Gent al een baaierd aan informatie over het leven en vooral over het werk van de kunstschilder. Net als bij Rembrandt heerst er al meteen onduidelijkheid over zijn geboortejaar: dit kan 1612 of 1613 zijn geweest. Wel weten we dat hij de tweede zoon was van een Haarlemse herbergier, Lodewijck Lowys van der Helst, en Aeltje Bartels. In Amsterdam trouwde hij met het achttienjarige weesmeisje Anna du Pire. Ze kregen zes kinderen, van wie er slechts twee volwassen zouden worden. Aanvankelijk woonde het stel op de Nieuwmarkt, tegenover de Waag. Daarnaast huurde de schilder vanaf 1647 een huis op het Walenpleintje, vermoedelijk in gebruik als atelier. Vanaf 1650 woonden de Van der Helsts in de Nieuwe Doelenstraat, maar vijftien jaar later keerden zij terug naar de Nieuwmarkt.

Slechts sporadisch komen we iets te weten over het privéleven van Van der Helst. Zoals over de mishandeling van zijn waterhond in 1653. De schilder zat in het Oudezijds Herenlogement toen zijn trouwe viervoeter plotseling achter de kippen op de buitenplaats aanrende. Een knecht pakte de hond op en smeet deze in het ‘secreet’, de wc. De schilder liet getuigen deze dierenmishandeling beschrijven voor een notaris. Eveneens in een notariële akte leren we iets over de eerste dienstmeid van de schilder, Cornelia Willems. In 1648, nota bene het vredesjaar, kreeg de vrouw des huizes slaande ruzie met haar. Ze wilde de dienstmeid met een bierkan de hersens inslaan, maar deze ontweek en de aardewerken kan vloog door het raam. Vervolgens liet ze de knecht haar de meid op straat zetten. Onthutst zocht ze – ‘seer verbaest, huijlende ende crijtende’ – een veilig onderkomen bij een van de buren.

Diklijvige Duitse dienstmeid

Kort na de ruzie zal Cornelia Willems zijn ontslagen, want in januari 1650 is er sprake van een andere meid. De kunstschilder woonde inmiddels in de Nieuwe Doelenstraat, zo leren ons de confessieboeken van het Amsterdamse gerecht (Archief 5061, inv. nr. 308, f. 75-76, d.d. 6.1.1650). Hierin staan de verhoren van gevangenen die verdacht werden van kleine criminaliteit, zoals diefstal, bedelarij, vechtpartijen, dronkenschap en zedendelicten, hoewel er ook ernstiger misdaden in zijn te vinden. De verdachten kwamen grotendeels uit de lagere sociale klassen, want voor gezeten burgers was het een schande om in het confessieboek vermeld te worden. Van der Helst en zijn vrouw komen er dan ook niet in voor als verdachten, maar als getuigen.

De verdachte is Trijntge Barents, de ‘dicklijvige’ 18-jarige Duitse dienstmeid van Van der Helst. Zij zou in het huis van haar meester in de Doelenstraat zijn bevallen van een – volgens haar – dood kind. De arts Jan Du Pire, tevens de zwager van Van der Helst, was gekomen om de verzwakte meid te onderzoeken, maar de vogel was al gevlogen. Haar bed op de bovenverdieping zat echter onder het bloed en in de kelder lag het lijkje van een pasgeboren kind, gehuld in een blauwe doek. Bartholomeus en zijn vrouw Anna moesten afzonderlijk getuigen, vermoedelijk om hun versies te onderling te vergelijken, terwijl ook Van der Helsts leerling Marcus Waltes werd ondervraagd. Toch was het onwettige kind niet van de kunstschilder, zoals je misschien zou verwachten. Zelf noemde de dienstmeid haar vorige werkgever, de heer Steenhoven, als de vader.

De vlucht van de Duitse dienstmeid is eenvoudig te verklaren. Ze vreesde voor rechtsvervolging, want infanticide werd indertijd streng bestraft (zie recentelijk: Manon van der Heijden, Misdadige vrouwen) De gangbare straf voor gearresteerde kindermoordenaars was wurging aan een paal, hoewel de doodstraf zelden werd opgelegd omdat het lastig te bewijzen was dat een kind had geleefd en bewust was omgebracht. Ook de wanhoopsdaad van Trijntge Barents lijkt onbestraft te zijn gebleven, want haar naam ontbreekt in de vonnisboeken. Mogelijkerwijs is zij teruggekeerd naar haar heimat, een piepklein dorpje in Noordrijn-Westfalen, al kan ze ook tijdelijk zijn ondergedoken bij haar familie in Amsterdam: haar oom werkte in de stad als kalkdrager. Hoe dan ook: Van der Helst en zijn echtgenote konden wederom op zoek naar een nieuw dienstmeisje.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Concurrerende postbedrijven in de zestiende eeuw

Bodebus Amsterdam 1548, Rijksmuseum BK-AM-15-A

Bodebus Amsterdam 1548, Rijksmuseum BK-AM-15-A

Adequate communicatiemiddelen zijn onontbeerlijk voor een goed bestuur: dat wisten de Habsburgse monarchen machthebbers al rond 1500. Naast hun Rijkspost bood het stadsbodennetwerk echter grote voordelen voor de Hollandse steden, zo leren we van Monica Verhoog in Holland.

Historica Verhoog won de scriptieprijs 2012 van  historisch tijdschrift Holland met haar onderzoek ‘Met roe en bodebus door stad en land. Het bodennetwerk van Amsterdam, Leiden en Haarlem tussen 1531-1555’. Eerder schreef Wolfgang Behringer over de in 1488 door Maximiliaan van Oostenrijk opgezette Rijkspost: het eerste postbedrijf dat internationaal opereerde en alle gebieden onder keizerlijk gezag met elkaar verbond. Onder Karel V (1516-1555) werd dit systeem verder geperfectioneerd, zodat er vaste verbindingen ontstonden tussen diens verspreide gebieden in de Nederlanden, Oostenrijk, Spanje en Italië en bijvoorbeeld het Franse hof.

Voordelen van de stadsbodennetwerken

De Rijkspost betekende een grote stap voorwaarts voor de informatie-uitwisseling. Koeriers vertrokken op geregelde tijdstippen vanuit vaste halteplaatsen en de aankomst van de brief was voorspelbaar geworden. Verhoog wijst erop dat de ouderwetse bodensystemen van de Hollandse steden bleven bestaan naast de Rijkspost, soms tot ver in de achttiende eeuw. Terwijl de Rijkspostkoeriers één dag per week naar het eindpunt van de route vertrokken, bijvoorbeeld van Brussel naar Parijs, konden stadsbestuurders hun brieven op iedere dag van de week meegeven aan hun reizende boden, uitgezonderd de zondag. Hierdoor waren stadsboden eerder ter plaatse dan hun keizerlijke concurrenten. Bovendien kregen stedelijke boden soms mondeling antwoord, terwijl dat niet binnen het takenpakket van de Rijkspostbesteller viel.

Volgens Verhoog, die zich vooral baseert op de stadsrekeningen van de drie Hollandse steden Amsterdam, Leiden en Haarlem, waren de stadsboden ook goedkoper. De Rijkspost had hoge onkosten, omdat paarden en ruiters voortdurend aanwezig moesten zijn op hun aflosplekken. Bij de steden drukten de bodelonen minder zwaar op de kas, omdat ze alleen betaalden voor boden die op reis waren en er geen paarden hoefden te worden verzorgd. Paarden waren duur, maar bij urgente zaken werden ze wel van stal gehaald. Haastbrieven en zware geschenken zoals tonnen bier werden ook wel per wagen verzonden. Deze karren, getrokken door os of paard en geleid door een voerman, werden ad hoc ingehuurd. Ze kostten de stad een klein kapitaal.

In het waterrijke Holland waren schepen, schuiten en veren veruit de handigste vervoersmiddelen voor de stadsboden. Toch werd ook hier relatief weinig gebruik van gemaakt, ‘zodat het meest aannemelijke transportmiddel toch de benenwagen blijft’, aldus Verhoog. De afstand van Leiden naar Den Haag liepen zij bijvoorbeeld in maximaal vier uur. Internationale reizen, zoals vooral de Amsterdamse boden die maakten, gebeurden uiteraard wel per schip. Haarlemse boden kwamen geregeld in Gent, Hasselt of Calais, terwijl de brieven van de Amsterdamse bestuurders tot ver in het Oostzeegebied arriveerden in steden als Danzig (Gdańsk) en zelfs Reval (Tallinn). De meesten bodereizen gingen echter naar Den Haag, waar immers de Statenvergadering en het Hof van Holland bijeenkwamen.

Stadsbode met roede.

Stadsbode met roede.

Roedragend en reizend

De betrouwbaarheid van de stadsboden was van cruciaal belang. Berichten van de Amsterdamse bestuurders kwamen zelden niet aan op de eindbestemming. Vergeefs was bijvoorbeeld de zoektocht van een Amsterdamse bode in Utrecht en Haarlem ‘omme te hebben eenen biechtvader die Spaensche tael kennende omme biecht te hebben drie Spaengaerts, alhier van die neije gevangen’. De bode moest ook voldoende vertrouwd worden door de ontvanger om een mondeling antwoord te kunnen terugverwachten. In Verhoogs betoog over de betrouwbaarheid ontbreekt informatie over een verplichte eed die stadsboden moesten afleggen, zoals de in Amsterdam gebruikelijke benaming ‘gezwooren loopers’ aangeeft (Jan ter Gouw, Geschiedenis van Amsterdam, dl. V, 340).

In haar artikel maakt Verhoog ook geen onderscheid tussen de ‘roe(de)dragende stadsboden’ en de reizende boden. Eerstgenoemden dienden vooral in de stad zelf ter assistentie van bestuur en justitie en stonden – in Amsterdam – onder toezicht van de conciërge van het stadhuis. Het tiental was herkenbaar aan een livrei, een paltrok in rood, wit en zwart en droeg bovendien een kleine roede of staf. Ook de roedragende boden moesten weleens op reis in stadsdienst, waartoe zij ‘s winters gekleed gingen in een speciale Ierse mantel. In hun hoedanigheid als gerechtsdienaar en deurwaarder zullen zij belast zijn geweest met de begeleiding van gevangenen en het doen van aanzeggingen buiten de stadspoorten: taken die Verhoog aan de reizende boden toeschrijft.

Roede van bode.

Handzame roede van bode.

Verder blijven de individuele boden en de sociale achtergrond van deze ambtenaren onderbelicht. Volgens Behringer zou de politieke en sociale macht van de stadsboden in de lokale gemeenschap een verklaring zijn voor het voortbestaan van het stadsbodensysteem na de oprichting van de Rijkspost. Dan is het dus van belang wat voor soort mannen – want het waren alleen mannen – als stadsbode diende. Zo werd iemand als Claes Gerritsz Plemp, verwant aan de Amsterdamse regentenkliek, in 1531 naar Edam gestuurd om te vernemen ‘hoe de saken van den coninck aldair ghingen’ (Ter Gouw, Amsterdam, dl. IV, 216). Stond zo’n ad hoc bode in maatschappelijk opzicht boven een gewone stadsbode in vaste dienst? Kortom, het boeiende onderzoek van Verhoog leidt tot nieuwe vragen over deze onderbelichte kant van het zestiende-eeuwse Holland.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Tappers op Hollandse regentenportretten

Dujardin, De regenten van het Spinhuis en Nieuwe Werkhuis te Amsterdam , 1669, Rijksmuseum.

Prominent in zaal 2.18 van het Rijksmuseum hangt een groepsportret van Karel Dujardin uit 1669. Volgens het museum zien we hier de vier regenten van het Spin- en Werkhuis en ‘een bode die een brief brengt’. Dat laatste is niet waar.

Voor een andere interpretatie van het portret van Dujardin moeten we kort uitweiden over het horecabeleid van het zeventiende-eeuwse Amsterdamse stadsbestuur. Op verschillende manieren hielden de stadsbestuurders controle op de uitbaters van horecazaken. Voordat nieuwkomers alcoholische consumpties voor kleinverbruik mochten schenken of tabak verkopen, moesten zij bijvoorbeeld eerst poorter of burger worden. Vanaf 1668 mochten nieuwkomers hun tappersnering ook uitoefenen na het afleggen van de loyaliteitseed aan burgemeesters, waarvan zij als bewijs een ingezetenen-cedel

Daarnaast moesten alle tappers, herbergiers en tabaksverkopers sinds 1597 ieder kwartaal hun vergunning verlengen bij het Spinhuis. Weigerachtige tappers konden huisbezoek van de schout of de provoost van het Spinhuis verwachten. Naast een boete kregen zij dan tijdelijk een tapverbod opgelegd. De inkomsten van de leges voor de vergunningverlenging – tien stuivers voor de verkoop van wijn of bier en vijf voor tabak – spekten de kas van Spinhuis. In de tweede helft van de zeventiende eeuw betaalden de tappers het vrouwentuchthuis gezamenlijk zo’n vijfduizend gulden per jaar. Zo werd de beteugeling van veelal door alcohol ten gronde gerichte vrouwen grotendeels bekostigd met het schenken van datzelfde schadelijke vocht.

Na betaling van de leges verstrekten de regenten van het Spinhuis een ‘admissie-cedel’. Dit formulier wees de tappers op hun verplichting een ‘eerlijck huys’ te houden, zonder ‘schandale’. Het mocht dus geen bordeel of Barretje Hilton zijn. Uiteraard dienden de tappers ook alle oude en toekomstige stedelijke wetten te respecteren, op straffe van beboeting bij overtreding. De vroegst geregistreerde admissies van Amsterdamse tappers in zogenaamde ‘stamboeken’ dateren van 1742. Deze bijzonder lijvige registers (bijna 1100 pagina’s) zijn abusievelijk ondergebracht in de administratie van de bevolking van het Werkhuis (Stadsarchief Amsterdam, Archief nr. 347, inv. nr. 42). Om het de gebruiker moeilijk te maken zitten de admissieregisters uit de Bataafs-Franse Tijd (1795-1805) dan weer in een ander archief (Archief 5028, inv. nr. 552).

Pickenoy 1628

Tappers in beeld

De verstrekte tapperscedels zijn schaars overleverd. Slechts één van die briefjes is bewaard gebleven (Archief nr. 347, inv. nr. 563). Stapels van deze voorgedrukte en genummerde formulieren zien we terug op een schilderij van Nicolaes Eliasz Pickenoy uit 1628. Hij portretteert de regenten van het Spinhuis zittend om een tafel, waarop de cedels, het stamboek der tappers en een stapel muntgeld ligt, zoals overtuigend is aangetoond door archiefwetenschapper Eric Ketelaar (Maandblad Amstelodamum 95-3/4 (2008) p. 55). De oude staande man links, die zo deemoedig zijn hoed afneemt, moet dus een tapper zijn geweest, die om verlenging van zijn vergunning vraagt.

Op Van der Helsts Twee regenten en twee regentessen van het Spinhuis, uit 1650, zien we vermoedelijk opnieuw een tapperscedel in handen van een van de bestuurders. Het formaat is identiek, maar de tekst is helaas onleesbaar. De aandacht wordt ook enigszins afgeleid door de weinig verheffende gebeurtenissen in het doorkijkje achter de regenten, waar een van de vrouwen door een bewaakster wordt geslagen en een groep geile bezoekers – tegen betaling – de tuchtelingen gadeslaat.

Bartholomeus van der Helst, Twee regenten en twee regentessen van het Spinhuis, 1650. Amsterdam Museum.

Bartholomeus van der Helst, Twee regenten en twee regentessen van het Spinhuis, 1650. Amsterdam Museum.

Op Karel Dujardins schilderij De regenten van het Spinhuis en Nieuwe Werkhuis te Amsterdam (1669) heeft een van de zittende regenten, Hendrick Becker, eveneens een tapperscedel in zijn handen. Deze is gedateerd op de maand februari. De staande figuur is dus geen bode, zoals het Rijksmuseum meent, maar een tapper die om verlenging van zijn admissie vraagt. Een andere regent van het Spinhuis registreert de verlenging in het stamboek van de tappers. Dujardin staat met dit tafereel dus in de traditie van Pickenoy en het tekstbordje in het Rijksmuseum moet worden aangepast. Maar wie waren de door Pickenoy en Dujardin afgebeelde tappers? Ongetwijfeld kleurrijke figuren in hun tijd.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Amsterdamse herbergen

Swartenhondt in 1627, toegeschreven aan Pickenoy

Swartenhondt in 1627, toegeschreven aan Pickenoy

Wat hebben de zeeheld Jochem Swartenhondt en de dichter Jan Zoet met elkaar gemeen? Beiden waren Amsterdammer, leefden in de zeventiende eeuw en waren actief in het lokale herbergwezen. Ondanks deze overeenkomsten lagen hun levenswandel en klantenkring mijlenver uiteen.

Twee fijne nieuwe publicaties lagen deze maand op mijn deurmat. Het laatste maandblad van het genootschap Amstelodamum met daarin een artikel van Ruud Lambour over de herbergactiviteiten van de letterkundige Jan Zoet en de biografie van de vergeten zeeheld Jochem Hendricksz Swartenhondt door Tobias van Gent.

 

Kapitein Haddock

De buitengewoon boeiende varensjaren van Swartenhondt vullen het grootste gedeelte van de laatstgenoemde studie. Hij was een soort kapitein Haddock die net als Michiel de Ruyter opklom van scheepsjongen tot admiraal. In 1622 versloeg Swartenhondt een overmacht van de Spanjaarden in de Slag bij La Cala del Moral in de Middellandse Zee. Na dit heldhaftige optreden zou hij niet meer terugkeren naar zee. Zijn laatste levensjaren bleef hij aan wal, bij zijn familie en zijn herberg op de hoek van de Pieter Jacobszstraat en de Nes.

Die herberg, de Prins van Oranje, had hij in 1606 gekocht van zijn op zee vergaarde fortuin. De zaak genoot enige faam, omdat het stadsbestuur er hoog bezoek liet logeren en fêteren, zoals de latere stadhouder Frederik Hendrik en diplomatieke vertegenwoordigers van vreemde vorsten. De status van herberg de Prins was geen verdienste van Swartenhondt, maar van diens voorganger, de watergeus Jan Claesz Spiegel en vooral diens vrouw Anna Claesdr, die de zaken na zijn dood met succes voortzette.

Herbergiers konden flink verdienen aan het onthalen van stadsgasten. Net als nu was de overheid een geliefde opdrachtgever. Slechts een select groepje Amsterdamse herbergen werd geschikt geacht om adellijke personen, diplomaten en hoge ambtenaren op fatsoenlijke wijze te huisvesten en van voedsel en drank te voorzien. Deze lokalen vinden we terug in de uitgaven van de thesauriers. Swartenhondt komt daarin frequent voor, evenals zijn echtgenote Elisabeth Bas, bekend vanwege het sigarenbandje en het vermeende portret dat van Rembrandt van haar maakte. Swartenhondt verdiende voldoende om onroerende goederen te kunnen kopen, waaronder zijn eigen geboortehuis aan de Zeedijk en een in het Damrak gelegen scheepje. Hun dochter Marritje huwde de kastelein van de concurrerende Voetboogdoelen, waarover meer te lezen is in het laatste jaarboek van Amstelodamum.

Elisabeth Bas door Rembrandt

Elisabeth Bas door Rembrandt

In 1620 vertrok Swartenhondt opnieuw naar zee, waar hij de strijd aanging met Noord-Afrikaanse kapers en – na afloop van het Bestand – ook weer met de Spanjaarden. In zijn afwezigheid ontving zijn vrouw de stadsgasten, voor welke diensten zij gepeperde rekeningen achterliet bij de thesaurie. Een deel van de inkomsten werden geïnvesteerd in het interieur van de oude herberg. Een Italiaanse bezoeker roemde de herberg in 1626, vanwege de netheid en het interieur, vol Italiaans marmer, met loggia’s en tuinen, tafelzilver en fijn linnen.

Na het overlijden van admiraal Swartenhondt, in 1627, zette zijn weduwe de herberg voort. Vier jaar later beschikte zij over een geschat vermogen van 18.000 gulden, wat een aanzienlijk kapitaal was indertijd. De herberg verkocht zij in 1632 voor 12.000 gulden aan Christoffel Poock, een Duitse waard. Toen Poock acht jaar later kastelein van de Voetboogdoelen werd, verkocht hij herberg Swartenhondt met 2.000 gulden overwaarde door aan de bekende zilversmid Johannes Lutma.

Zoet als tapper

In de Swartenhondt-biografie, met als ondertitel ‘Van scheepsjongen tot admiraal en kroegbaas’, lezen we helaas niets over de gang van zaken in de herberg. Dat wordt ruimschoots goedgemaakt in het laatste maandblad Amstelodamum. Ruud Lambour presenteert hierin zijn onderzoek naar de herbergen van Jan Zoet (1610-1674). Over het leven van deze verguisde zeventiende-eeuwse dichter, toneelspeler, schrijver, pamflettist, drukker, vertaler, koopman en sekteleider verscheen in 2008 al een kloeke studie van Rudolf Cordes. Na Zoets ‘bekering’ in 1643 kwam hij met merkwaardige religieuze denkbeelden op de proppen, die hem de flauwe bijnaam ‘Jan Zot’ opleverde. In het spoor van de chilialistisch-spiritualistische David Joris verwachtte hij dat het Duizendjarig Rijk van Christus spoedig zou komen, waarbij Zoet zelf een rol zou spelen als ‘voorbereider’. Dan zal Hij neerdalen in het uitverkoren Nederland en zullen alle talen vergaan, behalve het Nederlands. Vandaar dat Zoet zoveel mogelijk ging schrijven in eenvoudig en puristisch Nederlands. De pasgeboren Willem III, de latere koning-stadhouder, voorspelde hij een grootse toekomst als Verlosser in de eindtijd. Daarop moest Zoet nog lang wachten.

Jan Zoet

Jan Zoet

Na de aanslag op Amsterdam van Willem II (1650) kwam Jan Zoet in de problemen, vanwege een pamflet waarin hij de ontslagen burgemeesters Bicker in hun hemd zette. Een later verschenen lofdicht op diezelfde broers mocht niet baten: het stadsbestuur heeft Zoet voor zes jaar uit de stad verbannen. Tijdens zijn ballingschap verbleef hij nu en dan stiekem in Amsterdam, waar hij zijn schamele kost verdiende als aanplakker. Na zijn terugkeer werkte Zoet rond 1663 als wijnkoper en tapper. In zijn herberg De Boerendans in de Binnen Brouwerstraat kon het er heftig aan toe gaan. Als tapper werd Zoet gekapitteld door de schout, omdat hij een vechtpartij met gewonden in zijn zaak niet had gemeld aan het gerecht.

Lekke pisbak

Gezien deze gewelddadigheden is het opmerkelijk dat Zoet zijn herberg ook wel aanduidde als De Zoete Rust. De huisregels van Jan Zoet spreken echter boekdelen:

Vegten, smyten, dronkkenschap,

Borg vol zorg, en kwaade zeeden,

Vloekken, zweeren, vuil gesnap,

Word in mijn Huis niet geleeden (Cordes, 466).

Kennelijk kwamen vechtpartijen, vloeken en zedeloosheid nogal eens voor, anders was er geen reden deze activiteiten te verbieden. In zijn bundel Parnassus aan ’t Y, genoemd naar de dichtersgroep die geregeld bij hem over de vloer kwam, maakt Zoet ook duidelijk welke diensten hij zijn klanten bood. Een gast kreeg er: ‘Bier, Tabak en Wijn, En spijs, en Slaap-plaats, voor zijn geld’. Het was dus een herberg in de ruime betekenis des woords en geen eenvoudige tapperij. Het niveau van de geboden faciliteiten moeten we ons echter niet te hoog voorstellen. Zo was de pisbak in de gang te lek om te gebruiken, zodat gasten in een ton moesten wateren. En een luchtje scheppen in de prieeltjes achter het huis was na een flinke regenbui niet meer mogelijk, omdat het water er bleef staan.

De commerciële kwaliteiten van Zoet blijken onder meer uit zijn bemiddeling tussen een koper en een verkoper van een huis. In het koopcontract liet hij opnemen dat beide partijen elk voor 13 gulden in zijn lokaal moesten verteren. In 1666 heeft Zoet De Boerendans verlaten en tapt hij in herberg Baanbrug op de Haarlemmerdijk (nr. 147), op de hoek van de Baanbrugsteeg. Hier lieten klanten hun notariële akten ter plekke vastleggen door een notaris, waarbij Zoet als getuige mede ondertekende. De bemoeienis van de herbergier ging soms nog veel verder. Tijdens onderhandelingen van een koopcontract voor een stuk grond in 1668 had Zoet zitten meeschrijven. Zodra er overeenstemming was bereikt, had Zoet het koopcontract al uitgeschreven en hardop voorgelezen aan het herbergpubliek. De notaris hoefde dit alleen nog schriftelijk te bevestigen en het contract hieraan te hechten.

De studies over Swartenhondt en Zoet bevestigen mijn vermoeden dat de zeventiende-eeuwse herbergen veel meer betekenden voor de stedelijke samenleving dan doorgaans wordt aangenomen. Naast het faciliteren van spijs, drank en onderdak konden bezoekers er zaken doen, contracten laten tekenen en conflicten bijleggen, al dan niet bevestigd door een notaris. Herbergiers bemiddelden tussen hun klanten onderling en tussen de gasten en ‘de buitenwereld’, zoals het stadsbestuur of lokale kooplieden.

Tobias van Gent, Jochem Hendriksz Swartenhondt: van scheepsjongen tot admiraal en kroegbaas (Soesterberg 2014).

Ruud Lambour, ‘Jan Zoet, Amsterdammer (1610-1674): zijn afkomst en herbergen herzien’, Maandblad Amstelodamum 101-3 (2014) 115-133.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Ontvangst en verblijf in de vroegmoderne stad

Aankomst in Amsterdam, ca. 1700

Aankomst in de Amsterdamse haven, ca. 1700

Hoe kwam je in de zeventiende eeuw een stad binnen? Hoe werd je er ontvangen? En hoe kon je er overnachten? Historici houden zich weinig bezig met het beantwoorden van zulke basale, aardse vragen, maar de Universiteit van Warwick wijdde er onlangs een boeiende workshop aan.

Tijdens de interdisciplinaire workshop Arriving in the Renaissance: Migration, Mobility and Hospitality in Europe and the Mediterranean (programma: doc) op 5 juni passeerden uiteenlopende onderwerpen de revue. Zelf hield ik er een presentatie over de behandeling van uiteenlopende soorten bezoekers van zeventiende-eeuws Amsterdam. Vooral de grote rol van het stadsbestuur bij de ontvangst van vreemdelingen was in deze periode opvallend. Deftige gasten werden met alle egards binnengehaald door een van de stadspoorten. Na een triomftocht mochten zij op stadskosten logeren en uitvoerig dineren in een van de twee ‘Herenlogementen’, de drie doelengebouwen of het Prinsenhof.

Ook voor de ontvangst en het verblijf van minder hoog bezoek voelde het stadsbestuur zich verantwoordelijk. Dit bleek bijvoorbeeld in 1576, toen de nog Spaansgezinde stad was omsingeld door vijandelijke geuzen. Omdat die zich zouden kunnen ophouden in publieke drinklokalen buiten de muren, had het stadsbestuur het ‘buitentappen’ geheel verboden. Echter, ‘omme den reijssende man te gerijven van logijs’ werden buiten de vier hoofdpoorten grote huizen gehuurd. Voor het uitbaten van deze nieuwe ‘stadsherbergen’ werden waarden aangetrokken die het vertrouwen genoten van het stadsbestuur.

Werk of rondzwerven

De regenten zagen natuurlijk het liefst kooplieden, ambachtslieden en andere welgestelde of ‘nuttige’ vreemdelingen naar de stad komen. Een meerderheid van de migranten die voor korte of langere tijd naar zeventiende-eeuws Amsterdam afreisden, bestond echter uit zeelieden, vluchtelingen, soldaten, dienstbodes en andere armoedzaaiers. Het was de bedoeling dat zij zo spoedig mogelijk een betrekking vonden op de enorme arbeidsmarkt van de stad. Op de Schippersbeurs naast de Nieuwe Brug bij het IJ konden zeelieden bijvoorbeeld in contact komen met werkgevers. Zij moesten dan uit de handen zien te blijven van snode ‘slaapbazen‘. Deze voorzagen nieuwe zeelieden en soldaten tijdelijk van kost en inwoning, maar vroegen daar bij vertrek excessieve bedragen voor terug.

Baaierd door Schouten in 1793

Baaierd door Schouten in 1793

Om te voorkomen dat nieuwkomers op straat gingen rondzwerven, exploiteerde de stad de Baaierd. In deze nachtopvang, naast het Sint Pietersgasthuis en pal tegenover het duurste herenlogement, mocht je maximaal drie nachten verblijven. Die periode was volgens de stad voldoende om een baan te vinden. Zo niet, dan mocht je pas weer na zes weken je gezicht laten zien. Passanten in de Baaierd kregen warme kost, dun bier en een stuk brood met boter of kaas. Er waren aparte slaapzalen voor mannen en vrouwen.

Tussen de Baaierd en de herenlogementen in had zeventiende-eeuws Amsterdam een ruime keus aan logementen, herbergen en particuliere slaapplaatsen. Bezoekers uit den vreemde konden terecht in meer dan honderd commerciële herbergen, dikwijls uitgebaat door een waard uit de plaats of regio van herkomst. Over dit herbergwezen en de ontvangst van de gasten is weinig bekend, al zijn er enkele relevante reisbeschrijvingen en dagboeken overgeleverd. Zoals het dagboek van de Britse koopman Thomas Bowrey (ca. 1650-1713), die in 1698 de Noordzee overstak in zijn eigen jacht. In Amsterdam liet hij zijn bagage met een toeslede en een kar naar zijn herberg brengen. Dit was het Witte Hart, achter de Oude Kerk, een populaire bestemming van zijn landgenoten. De herberg werd uitgebaat door een voormalige kleermaker uit Engeland, die in Amsterdam een tweede leven begon als herbergier en kok. Zijn klanten beloofde hij een goede maaltijd tegen een redelijke prijs van vijftien stuivers. Bowrey was echter niet tevreden en verhuisde naar een chiquer logement. Een maaltijd – inclusief halve pint- kostte hem daar het dubbele.

Slaapbaas met touw

Verplichtingen van de waard

Naast de reisverslagen – doorgaans van welgestelde en ontwikkelde lieden – leren we het vroegmoderne herbergwezen kennen uit een reeks voorschriften uit de stedelijke wetgeving (keuren), waaraan de waarden zich dienden te houden. Een belangrijke bepaling was dat ‘ghien man en sal herberghen vreemde lude, rike of arme, hine wil se nemen up sijn lijf ende up sijn guet te verantwoirden, ist dat ment him vermaent’. Tijdens het bezoek was de waard dus geheel verantwoordelijk voor de daden van zijn gasten. Ook moesten zij hun gasten op de hoogte brengen van de stedelijke keuren, met name over relevante belastingheffingen en bijvoorbeeld wapenverboden.

De herbergier was ook verplicht gewelddadige incidenten in de publieke huizen te melden aan de overheid. Na een steekpartij moest hij de namen van de messentrekker en het slachtoffer binnen twaalf uur doorgeven aan het gerecht en bij doodslag zelfs binnen het uur. Vanwege hoge criminaliteitscijfers is deze wetgeving in 1647 verscherpt: herbergen konden ruim een jaar lang worden dichtgetimmerd, indien de uitbaters niet meehielpen met het achterhalen van geweldplegers in hun zaak.

Tijdens de workshop in Warwick bleek vergelijkbare wetgeving te bestaan in verschillende andere Europese steden. Zoals in Florence en Venetië, waarover David Rosenthal, Fabrizio Nevola en Rosa Salzberg in Warwick spraken. Een andere overeenkomst tussen deze steden en Amsterdam was de verplichte registratie van gasten. In recente literatuur over de geschiedenis van registratie en identificatie ontbreekt de rol van de herbergiers volledig, terwijl zij hierin juist een sleutelrol vervulden. Dagelijks moesten de lijsten met namen van de herberggasten worden overgebracht naar de magistraat. Voor Venetië bestaan zelfs nog korte fragmenten van de ingeleverde namenlijsten, welke in Amsterdam helaas nog niet zijn teruggevonden.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERANet als in Amsterdam bestonden de aanbieders van slaap- en eetgelegenheid in de Italiaanse steden in allerlei soorten en maten. Bovenaan de herberghiërarchie in Venetië stond een groep van twintig ‘osteria’, waarvan de eigenaar beschikte over een vergunning om ook eten te mogen serveren. Deze waren allemaal gevestigd in het centrum, tussen de Rialtobrug en het San Marcoplein, en de eigenaren waren dikwijls van adellijke afkomst. Onder de uitbaters was ook een Vlaamse migrant. De Venetiaanse waard leidde nieuwkomers ook rond in de stad en stond borg voor zin gasten. Verderweg van het centrum vond je goedkopere logementen, die meestal werden uitgebaat door weduwen.

Matthew Jackson van de Universiteit van Warwick presenteerde een interessant vergelijkend onderzoek tussen de ontvangst van vreemdelingen in de havensteden Bristol in Engeland en Bordeaux in Frankrijk. Ook in deze steden waren waarden verplicht hun gasten te registreren en gewelddadigheden te rapporteren. De herbergen boden onderdak aan de zeevarende natie, zodat gesprekken er bijvoorbeeld gingen over navigatie. Vooral de zakelijke kanten van het herbergwezen zijn terug te vinden in de bronnen. Zoals de levering van een partij scheepsbier door een herbergier aan een kapitein in 1653. De kwaliteit bleek van slechte kwaliteit, zodat de kapitein hiervan een verklaring liet opmaken. De herbergen boden ook gelegenheid tot slapen. De capaciteit liep daarbij uiteen van twee tot wel 35 kamers, terwijl de bedden dikwijls gedeeld werden.

Hierna hield Felicita Tramontana van de Universiteit van Palermo een fraai betoog over de opvang van vreemdelingen in het San Salvatoreklooster van de Franciscanen in de Christelijke Wijk van Jeruzalem. Na de Reformatie vonden ook protestantse reizigers, zeelieden en vagebonden hier onderdak. De monniken boden hen geld wanneer zij zich zouden bekeren, zodat katholieke reizigers met een geldprobleem bij het klooster aanklopten als ‘protestantse’ reiziger. De gardiaan was ook verantwoordelijk voor zijn gasten, die hij door de stad rondleidde en van wie hij voor de Ottomaanse autoriteiten belastingen inde.

Nieuwe Brug met Paalhuis en Schippersbeurs

‘Contact zones’

Ten slotte benoemde Beat Kümin, organisator van de workshop in Warwick en herbergspecialist, enkele aanknopingspunten voor het onderzoek naar publieke drinklokalen. Zo zijn de ‘plaatsen van aankomst’, zoals poorten, havens en herbergen, in de verschillende steden te beschouwen als ‘contact zones’. Hier ontmoetten de vreemdelingen en stedelingen elkaar voor het eerst en hier vond dikwijls ook de afdracht van heffingen plaats, zoals in Amsterdam het paalgeld in het Paalhuis op de Nieuwe Brug. Historisch-topografisch onderzoek kan bovendien meer inzicht geven in plaats van de herbergen in de stedelijke structuur en de belangrijkste land- en waterwegen en de rol in de organisatie van de handel.

Verder is het de moeite waard te kijken naar de verschijningsvormen van publieke drinklokalen in noord en zuid Europa. Het afspreken van een duidelijke terminologie is daarbij wel van belang. De door Kümin voorgestelde tweedeling ‘fullservice inns‘ (herbergen met slaap-, drink- en eetgelegenheid) en de eenvoudigere ‘drinking houses‘ (dranklokalen), zoals taverns (kroegen), leidde al tot de nodige discussie. Er is duidelijk nog veel pionierswerk te verrichten in dit jonge onderzoeksveld.

Departure of Maria de Medici RP-P-OB-81.438

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie