De Alteratie als cesuur

Alteratie RP-P-OB-79.771Gezien alle aandacht voor de Tachtigjarige Oorlog is het zinvol eens stil te staan bij de gevolgen hiervan voor het Amsterdamse herbergwezen. De ‘Alteratie’ van 1578, de geweldloze omwenteling waarbij de stad aan de kant van Oranje en de geuzen kwam te staan, begrenst het eerste en tweede deel van mijn boek over dit onderwerp. En die keuze stuit op enig onbegrip.

Verkeerde aantallen

Ruim een jaar geleden verdedigde ik mijn proefschrift over het Amsterdamse herbergwezen (1450-1800) en verscheen de handelseditie. Enkele recensenten vermaakten zich vooral met de consumptieve aspecten, die in het boek juist een ondergeschikte rol spelen. De kern van mijn betoog – dat de herbergen op een breed maatschappelijk terrein (sociaal, politiek, economisch en cultureel) centraal stonden in het openbare leven – heeft helaas minder aandacht gekregen. Bovendien worden in het enthousiasme onjuistheden de wereld in geslingerd, zoals een te hoog aantal Amsterdamse drankhuizen rond 1660 (5000 i.p.v. mijn beredeneerde schatting van 1350).

Een keuze die vragen oproept, is de indeling van de herbergstudie in twee delen. In het eerste deel behandel ik de periode 1450-1578, waarin de vroegste ontwikkeling van het herbergwezen plaatsvond, en in het tweede deel het tijdvak vanaf de Alteratie tot 1800, de periode waarin de sector tot volle wasdom kwam. De laatste cesuur is discutabeler dan de eerste, doch de kritiek beperkt zich uitsluitend tot de keuze voor 1578. De omwenteling in dat jaar was immers in eerste instantie een machtsgreep met politiek-religieuze gevolgen: het Spaansgezinde stadsbestuur en enkele katholieke geestelijken werden letterlijk aan de dijk gezet en de uit ballingschap teruggekeerde gereformeerden kregen de macht en de beschikking over de (kerk)gebouwen. Behalve deze directe consequenties had de Alteratie echter ook indirecte gevolgen, zoals dat ook geldt voor andere historische omwentelingen.

Gerrit_Berckheyde

Oudezijds Herenlogement door Gerrit Berckheyde.

Kloosters en Romeinen

Een rechtstreeks gevolg van de Alteratie was het beschikbaar komen van voormalige kloostergebouwen, die ongeveer een vijfde van het Amsterdamse grondgebied opslokten. In de vrijgekomen complexen kwamen onder meer drankhuizen, tot afschuw van katholieke geestelijken. Een ander direct gevolg van 1578 was het overhaaste vertrek van een groep aan het stadsbestuur gelieerde waarden. Hun herbergen dienden als ontvangstcentra voor hoogwaardigheidsbekleders en locaties voor regeringsmaaltijden. Nadat zij van het toneel waren verdwenen, liet het ‘gezuiverde’ stadsbestuur een aantal luxelogementen (Prinsenhof, drie doelenherbergen en twee Herenlogementen) inrichten om deftig bezoek op waardige wijze te kunnen onthalen. De door de stad verhuurde logementen zouden in de zeventiende eeuw een hoog niveau van dienstverlening bereiken en waren in internationaal opzicht uniek te noemen.

Ook op een lager niveau had de Alteratie van 1578 grote gevolgen voor het herbergwezen. Tot dan toe waren tappers en wijnkopers verenigd in het Romeinengilde – vernoemd naar een zoete, van oorsprong Griekse wijn (geen Franse, zoals ik per abuis dacht). Deze beroepsvereniging had een religieuze functie, het onderhouden van een priester en een altaar in de huidige Nieuwe Kerk, maar gaf het stadsbestuur ook enige controle over de drankensector. Zo moesten de gildebestuurders (‘overlieden’) erop toezien dat alle leden over het burgerschap beschikten. Bij de overgang van de stad in 1578 werd het Romeinengilde opgeheven. In 1597 bedacht het stadsbestuur een nieuwe manier om greep te houden op het herbergwezen, door tappers en waarden ieder kwartaal te laten langskomen voor verlenging van hun ‘vergunning’. Tappers en herbergiers bleven echter onverenigd. Slechts sporadisch lieten zij met een kleine groep van zich horen – vooral tegen de belastingdruk – maar hun protesten sorteerden weinig effect.

Tapster op hoek BLoedstraat en Nieuwmarkt SChouten BB 010001000586

 

Bierbeschooiers en Hanzewaarden

Na de Alteratie verdween ook de mogelijkheid om het uitbaten van een herberg te combineren met de drankengroothandel. Eerder in de zestiende eeuw waren verschillende waarden bijvoorbeeld actief in de wijnhandel. Na de Alteratie kampte het stadsbestuur met een aanzienlijk begrotingstekort, als gevolg van de oorlogsuitgaven en het stilvallen van handel en scheepvaart. Aangezien accijnsheffingen op alcoholische dranken de voornaamste inkomstenbronnen waren, zonnen de regenten op een beter belastingsysteem. In 1579 verboden zij dat wijnkopers ‘croech’ of gasterij hielden en begonnen ze een langdurige strijd om groot- en kleinhandel gescheiden te houden. Datzelfde gebeurde in de bierhandel, waar de ‘bierbeschooiers’ (distributeurs van buiten steedse brouwerijen) opkwamen als belangrijke tussenpersonen. Wijnkopers en bierbeschooiers kochten drankhuizen om zeker te zijn van voldoende afzet van hun producten, zoals grote brouwerijen dat nog altijd doen. Het nieuwe systeem van drankendistributie zou het herbergwezen op ingrijpende wijze beïnvloeden.

Ook in de graanhandel kwam na de Alteratie een transformatie op gang. Duitse Hanzekooplieden verloren hun dominante positie in die ‘moedernegotie’ van Amsterdam op het Oostzeegebied en circa twintig ‘Hanzewaarden’ met herbergen in de Warmoesstraat verdwenen daarbij uit zicht. Na de aansluiting bij de Opstand in 1578 zou Amsterdam zich verder ontwikkelen tot de belangrijkste handelsstad, een ontwikkeling waaraan de lokale herbergiers een onmisbare faciliterende bijdrage leverden. Zij speelden geen actieve rol meer als groothandelaars of drankenleveranciers, maar specialiseerden zich binnen hun vakgebied, onder meer door nieuwe diensten aan te bieden. Dit was geen rechtstreeks gevolg van het aan de dijk zetten van ‘de mannen van 1578’, maar een ontwikkeling die pas daarna kon plaatsvinden.

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Komt allen naar Huis de Pinto

Tapster op hoek BLoedstraat en Nieuwmarkt SChouten BB 010001000586

Op dinsdagavond 11 december 2018 houden Gerrit Vermeer en ik een lezing over herbergen in de zeventiende en achttiende eeuw: van de grootste herenlogementen tot de kleinste kelderkroegen en goorste gokholen van Amsterdam.

Komt allen naar Huis de Pinto, St. Antoniesbreestraat 69, Amsterdam.

Details:

Zaal open 19:30 | 20:00-22:00 uur
toegang 5 euro (contant, geen pin aanwezig) | studenten 3,5 euro
reserveren kan via sprekendmokum@huisdepinto.nl (reserveringen vóór 19:50 afhalen)

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

RIP Ricky Jay

Ricky JayEven ongrijpbaar als zijn kaarttrucs was de onlangs overleden Ricky Jay (1946-2018). Hij was een bijzonder dubbeltalent, actief als magiër, auteur, acteur (o.a. Bondschurk), adviseur voor speelfilms en verzamelaar op het gebied van illusionisme en ander bijzonder vermaak. Jays laatste boek was een ode aan Matthias Buchinger, de grote kleine man uit Neurenberg.

Recordhouder kaartwerpen

Ricky Jay was een mysterieuze figuur, die vooral bekendstond vanwege zijn sleight of hand-vaardigheden: snelle vingers waarmee bijvoorbeeld speelkaarten verdwijnen of juist op miraculeuze wijze opduiken. Ook het ‘kaartwerpen’, waarover hij zijn eerste boek schreef in 1977), behoorde tot zijn specialiteiten: zijn worp van 140 kilometer per uur over een afstand van 58 meter haalde het Guinness Book of Records, al staat het afstandsrecord inmiddels op naam van Rick Smith Jr.

Reclameprent Buchinger 1710

Buchinger

Naast zijn verbluffende vingervlugheid en podiumpersoonlijkheid had Jay een bijna obsessieve verzameldrift. Goochelhistoricus Milbourne Christopher verkocht hem voor veel geld zijn eerste originele werk van Matthias Buchinger, de eind zeventiende eeuw in Ansbach geboren man met extreem korte ledematen, die zichzelf allerlei kunsten had aangeleerd, waarvan vooral zijn miniaturen, kalligrafieën, typografische trompe-l’oeils én vingervlugge kaarttrucs in het oog springen. In 2016 publiceerde Jay een prachtig boek over Buchinger (The Greatest German Living), begeleid door een tentoonstelling in het Metropolitan in New York.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Miljoenenjuffrouw en 1000 anderen

028_STRUIKJantje

Jantje Struik, door A.J.W. de Veer, ca. 1907, SAA.

Met terechte bombarie is deze week 1001 Vrouwen in de 20ste eeuw gepresenteerd, het biografische naslagwerk van Els Kloek. In Geschiedenis Magazine verschijnt een van mijn lemmata, over de oplichtster Jantje Cornelia Struik, beter bekend als ‘de Miljoenenjuffrouw’. Maar ook de overige duizend levensverhalen in het vrouwenlexicon zullen uren- of zelfs wekenlang leesgenot opleveren.

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Koffiehuispraatjes

Koffiehuis

Over het ontstaan van de eerste koffiehuizen in Holland worden al ruim honderd jaar dezelfde twijfelachtige verhalen overgeschreven. Zo zou een Griekse ondernemer in 1665 een koffiehuis zijn begonnen in Amsterdam, maar of dat ooit van de grond is gekomen? Concreter bewijs is er voor een Britse herkomst van het eerste koffiehuis in diezelfde stad rond hetzelfde jaar.

 

Koffie in de Bloedstraat

De vage verhalen over de Griek en de ‘koffiedrankbereider’ en chocoladekoekjesmaker Jan Nickels stammen uit een stokoud artikel van de voormalige gemeentearchivaris van Amsterdam Nicolaas de Roever (Uit onze oude Amstelstad, deel 1, 1890). Helaas gaf deze geen bronverwijzingen, zodat zijn vondsten niet te controleren vallen. Een duidelijkere aanwijzing voor het eerste koffiehuis in Amsterdam geeft het ‘confessieboek’, waarin de gerechtelijke verhoren uit 1665 staan opgetekend. Een gevangen Engelsman had in de zomer van dat jaar een pamflet laten drukken door een klant van een ‘coffijdranck-vercoper in de Bloetstraet’ (Archief 5061, inv.nr. 316, verhoor d.d. 24-7-1665, p. 230A). De naam van die uitbater blijft in nevelen gehuld, maar een Britse achtergrond lijkt waarschijnlijk: na Venetië (eerste koffiehuis in 1642) verrezen de eerste Europese koffiehuizen immers in Oxford (1650) en Londen (1652).

‘The coffy men’

Volgens de klucht Het suynigh en vermaeckelijck coffy-huys (Zaandijk 1678, p. 2) was de eerste ‘Coffy-maecker’ van Holland ‘meester Kit/Kic’. Die ‘mister’ heeft werkelijk bestaan. Het ging om Abraham Kick, een in de Engelse stad Norwich geboren koopman. Aanvankelijk woonde hij in Delft, waarvandaan hij met zijn tweede vrouw naar Amsterdam verhuisde. Bij zijn inschrijving als poorter (burger) van Amsterdam, in 1667, gaf de Engelsman ‘koffieverkoper’ als beroep op. Daarnaast was Kick actief als tabakshandelaar en tolk en arbiter voor de Britse koopliedengemeenschap in Amsterdam. Hij gold als een fervent tegenstander van de Engelse koning. Kick en diens medestanders werden ‘the coffy men’ genoemd, omdat ze elkaar ontmoetten in koffiehuizen. In 1682 bood hij in zijn eigen koffiehuis onderkomen aan de graaf van Shaftesbury, een van hoogverraad beschuldigde Whig, die het leven liet in zijn logeerbed. Kick was toen gevestigd in de Warmoesstraat, ter hoogte van de Oudezijds Armsteeg. Toen hij in 1686 hertrouwde – met de Amsterdamse Maria van der Voort – was hij verhuisd naar de Geldersekade.

afb Franse Koffiehuis 010055000023

Interieur Franse Koffiehuis, Kalverstraat 29. I.L. Fargue van Nieuwland, 1761. SAA.

Propagandamateriaal

Abraham Kick was ook actief als commissionair in de import van suiker en citroensap en de export van wijn op Suriname en de Noord-Amerikaanse koloniën. Het is verleidelijk om hem daar ook zijn eigen koffievoorraden te laten bestellen, al kwamen de bonen in deze periode doorgaans via de VOC of de Levantroute naar Holland. Kick correspondeerde ook innig met Increase Mather (1639-1723), president van Harvard College te Boston, de Amerikaanse stad waar zijn zoon Joan – namens de Sociëteit van Suriname – voor handelsdoeleinden was gevestigd. In 1683 vroeg Mather aan Kick om vijftig exemplaren op te sturen van zijn in Amsterdam gedrukte religieuze traktaat (Diatribe de Signo Filii Hominis, et de Secundo Messiae Adventu), voor verspreiding in de nieuwe wereld. In Amsterdam bleef de gemeenschap van ballingen rond Kick ageren tegen de Engelse koning. Net als in Engeland verspreidden partijgangers hun propagandamateriaal via de koffiehuizen, ondanks verboden van de overheid daartegen. Nadere bestudering van Kicks koffiehuis zou nieuw licht werpen op de toenmalige publieke opinie en de verspreiding van de nieuwe opwekkende drank in de Nederlanden.

Meer informatie over de vroegste Amsterdamse koffiehuizen in: De Amsterdamse herberg 1450-1800.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Eeuwenoude horecalocatie verdwijnt

IMG_20180524_092139435_HDR

Voormalig café Kadoelen op 23 mei 2018, foto auteur.

Na bijna vier eeuwen zal het drankhuis aan de Landsmeerderdijk (nr. 195) in Amsterdam-Noord mogelijk verdwijnen. Het huidige Café Kadoelen stond in de zeventiende eeuw bekend als schippersherberg de Groene Ridder.

Groene Ridder

Vanaf de eerste helft van de zeventiende eeuw was de herberg gevestigd in de oude buurtschap Kadoelen. Uitbater was de afgezwaaide zeeman Jan Claasz Backer (1588-?) uit Oostzaan. Net als veel buurtgenoten was hij eerst transportschipper: met zijn vaartuig de ‘Groene Ridder’ haalde hij koren uit de Oostzeehavens. Vóór 1631 kocht hij een herberg aan het Landsmeerderpad in Kadoelen. In dat jaar maakte een notaris een akte op in zijn gelagkamer, over de droogmaking van de naastgelegen Wilmkebreek. Ook de heemraden kwamen er bijeen om dijkproblemen te bespreken. In 1645, toen ‘Jan Claasz Groene Ridder’, zoals hij werd genoemd, bijna vijftig jaar oud was, moest hij zijn herberg gedwongen verkopen.

Kadoelen rond 1680

Kaart van het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen met links buurtschap Kadoelen, Jan Jansz Dou, 1680.

Veilingen en kolfbaan

De locatie, dichtbij het veer naar Amsterdam, was gunstig en de omwonende schippers van Kadoelen frequenteerden de zaak, dus ook onder nieuwe eigenaars bleef er een drankhuis gevestigd. Incidenteel waren er in de achttiende eeuw ook vastgoedveilingen en er was een kolfbaan aangelegd, zo blijkt uit annonces in de Amsterdamse courant (12-4-1759; 23-8-1759). In 1868 was de herberg, inmiddels omgedoopt tot koffiehuis Y en Stadzicht, eigendom van Jan Jansse Kat, tapper en schipper van het veer te Kadoelen. De veerdienst van Landsmeer naar Amsterdam – nu via Zijkanaal I en het IJ – werd gemotoriseerd (Stoombootmaatschappij Wagner en Kat). Kat raakte echter in de financiële problemen en moest het pand veilen (aankondiging in Algemeen Handelsblad, 24-8-1868), waardoor het voor een schamele zevenhonderd gulden van de hand ging.

Café Cadoelen SAA BMAB00039000005_016

Café Koffiehuis Kadoelen. Stadsarchief Amsterdam.

Gokkende buschauffeurs

Een jaar later – in 1869 –  begon de familie Van Noord-Fraaij er een koffiehuis annex café.  Mevr. A. van Noord-Fraaij (‘Moeder Aaltje’), een Oostzaanse, en haar man Gerrit van Noord uit Landsmeer. Ze hadden nogal wat te doorstaan van de elementen: in 1893 brandde het oude, houten herbergpand geheel af en in 1916 had het nieuwe pand zwaar te lijden onder de watersnoodramp: de achterkant en zijkant waren door het water geheel vernield en meubels, het biljart en ‘een kostbaar muziekinstrument’ dreven doelloos rond (Nieuwsblad van het Noorden, 18-02-1916).

In de oorlogsjaren ging het café over op Jaap Brandjes en diens vrouw. Kort daarop werd het stoombootveer voorbijgestreefd door een autobusdienst. In 1953 kreeg barkeeper Brandjes een volledige vergunning, zodat hij ook sterkedrank mocht verkopen. Een meerderheid van zijn inkomsten kwamen uit de bijbehorende slijterij, waarop vooral klanten uit de directe omgeving afkwamen. Het cafégedeelte trok reizigers en mensen die op de ENHABO-bus wachtten: de halte was immers voor de deur. Ook de buschauffeurs kwamen er na gedane zaken een pintje pakken en hun kleingeld in de gokautomaat verspelen (Algemeen Handelsblad, 27-6-1959).

IMG_20180524_092155933_HDR

Voormalig café Kadoelen op 23 mei 2018, foto auteur.

Faillissementen en broodjes bal

In 1965 hield het echtpaar Brandjes ermee op. Twee jaar later kwam het café aan de Landsmeerderdijk in de gemeente Amsterdam te liggen, vanwege een grenswijziging. Het pand bleef in gebruik als café en koffiehuis Kadoelen, maar verschillende uitbaters failleerden (1989, 2005). Tot een jaar geleden was er nog een drankje en een broodje bal te krijgen. De terrasstoelen vóór het café boden een aangenaam zicht over de dijk, al reed het passerende verkeer zo ’n beetje over je tenen heen. De huidige eigenaar sloot de tent, die ernstige tekenen van verval begon te vertonen en nooit is aangemeld als horecamonument. Vorige week hoorde ik het trieste bericht dat het legendarische drankhuis – onafgebroken in gebruik vanaf 1631 – zal worden gesloopt en vervangen door woningbouw.

UPDATE: Stadsdeel Noord ontkent plannen voor sloop of nieuwbouw, maar vertelt niet wat er dan wel met voormalig Café Kadoelen zal gebeuren (site van het Parool). Volgens woordvoerster Anouk Panman van Stadsdeel Noord is er geen sloop- of bouwvergunning afgegeven. Intussen loopt er ook een verzoek tot aanwijzing gemeentelijk monument voor het oude cafépand.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Achter het dagboek

Anne FrankDe Anne Frank Stichting, het Huygens ING en het NIOD verschenen trots in de nieuwsbulletins met hun ‘onthulling’ van een opzettelijk dichtgeplakte pagina uit het dagboek van Anne Frank (foto). Deze abjecte vertoning, onder het mom van wetenschappelijkheid, gaat ten koste van de schaarse privacy van een dertienjarig meisje dat zichzelf niet meer kan verdedigen.

Vertrouwen geschonden

Volgens de directeur van de Anne Frank Stichting brengen de flauwe moppen en zielenroerselen over seksualiteit ‘ons nog dichter bij het meisje en de schrijfster Anne Frank’. Het zou van groot publiek én wetenschappelijk belang zijn dat wij dit nu, zeventig jaar na dato, allemaal te lezen krijgen. De directeur van het NIOD, het voormalige Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, vond de passage persoonlijk wel om te lachen. De directeur van het Huygens ING, een instelling die in betere tijden erudiete bronnenpublicaties uitbracht, meent des- of ongevraagd dat Frank alles aan haar dagboek kon ‘toevertrouwen’.

‘Liefhebben als onszelf’

Welk recht hebben wij om Franks vertrouwen te schenden? En wat voegen deze  bewust verborgen intimiteiten toe toe aan het beeld van Anne Frank, zoals we dat al kennen uit haar wereldberoemde egodocument? Het antwoord laat zich raden. IJdelheid en misplaatste daadkracht wegen hier kennelijk zwaarder dan de pubergeheimen. In de woorden van A.Th. van Deursen: ‘We richten ons op onze medemensen, die we naar het evangelisch gebod zullen liefhebben als onszelf. Ik zeg niet dat we het verleden moeten liefhebben; maar wel de mensen die in dat verleden hebben geleefd. Ze zijn onze naasten, en blijven dat ook als ze gestorven zijn’. Met dode mensen ga je net zo om als met levende mensen en van hun dichtgeplakte dagboekpagina’s blijf je af.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen