Pfanns boompje en het Fortuin naast de Poort

Oudemanhuispoort 1A vóór restauratie. Foto: Martin Alberts, 2004. SAA 010122047669

Eerder deze week verstoorde een overmacht aan ME’ers op last van het College van Bestuur van de UvA een vreedzame demonstratie van een groep studenten aan de Oudezijds Achterburgwal bij de Oudemanhuispoort. Het afwijkende huis links naast die poort, tegenwoordig in gebruik als schoonheidssalon, kent een lange historie als herberg en antiquariaat.

Links Pfanns boekhuis in 1943. SAA 010009000930

In ‘t oude Boekhuys

In 1958 begon mijn vader Dolf Hell zijn werkzame leven in dienst van het antiquariaat van H.D. (Henk) Pfann (1911-1974), gevestigd in het merkwaardige bouwsel links naast de ingang van de Oudemanhuispoort en de ramsjwinkel gesitueerd in het open lucht-gedeelte van de poort. Hij koestert fraaie herinneringen aan deze tijd, zoals over een proletarisch winkelende Volksschrijver en de schildersezel van een tijdelijke commensaal in een van de achtergelegen poorthuisjes –K. Appel – die helaas bij het vuilnis belandde. Het mooiste verhaal betreft een daad van Hendrik Daniël Pfann senior (1889-1957), die net was overleden toen mijn vader er kwam werken. Hij was ooit begonnen met een boekenkraampje op het Amstelveld en huurde vanaf 1924 het pand naast de Oudemanhuispoort dat hij omdoopte tot ‘In ‘t oude Boekhuys’.

Links Pfanns boekhuis rond 1960, helaas zonder zichtbaar boompje uit het dak.
SAA BMAB00012000052_005

Geheelonthouder en natuurliefhebber

Volgens de overlevering was de oude heer Pfann een imponerende verschijning met een wilde zwarte haardos en stevige snor, en uitgedost met een lange fluwelen jas en een zwierige flambard of zwarte bolhoed. Hij was actief in het Leger des Heils en principieel geheelonthouder. Vrije zaterdagen bracht hij door op zijn volkstuintje aan de Zuidelijke Wandelweg en moet een groot natuurliefhebber zijn geweest. Op de zolder van zijn boekenantiquariaat naast de Oudemanhuispoort groeide een boompje tegen het dak. Pfann senior peinsde er niet over om dit te beknotten, laat staan om te hakken, maar bedacht een creatievere oplossing: zaagde een gat in het dak zodat de loten vrijelijk konden uitgroeien.

Links de kelderkroeg van Willem Keijser op de tekening van H.P. Schouten, 1796. SAA 010001000531

Kelderkroeg

Pfanns liefdevolle daad deed me denken aan een op 1796 gedateerde tekening van H.P. Schouten. Hij tekende de pompeuze poort en een parapluverkoper, maar ook herberg het Fortuin, gevestigd op dezelfde locatie als het huidige Oudemanhuispoort1A maar in een ouder pand. Er groeit nog net geen boom uit het dak, maar de Hollandse roodbruine baksteen had duidelijk zijn beste tijd gehad, zo schrijft ook Schouten op een nog in te kleuren voorstudie: ‘oude steen’. De waard met het Jacobijnenmutsje in de deuropening geeft een pint bier of mol (lichtbier) aan de ambachtsman met het voorschoot, zittend op de stoep. Evident is dit een kelderkroeg, een van de honderden in het Amsterdam van de achttiende eeuw. Schoutens voorstudie toont links een kast met flessen en rechts een man met een voorschoot die binnen staat te drinken: is het dezelfde klant als in 1796? Zo te zien registreerde de waard de consumpties met streepjes op de een van de vensterluiken.

Voorstudie H.P. Schouten in potlood. SAA KOG-AA-2-11-232

Het is de vraag wie de afgebeelde waard op Schoutens tekening is. Daarvoor is een eerste aanwijzing te vinden in het tappers-stamboek uit de Spinhuisadministratie. In 1764 schreven de katholieke Amsterdammers Antonie Jurriaen Semken en Johanna Musart zich in als bier- en wijntappers op de Oudezijds Achterburgwal naast de Oudemanhuispoort. Musart werkte toen al in het pand als dienstmeid van een eerdere uitbater, de Duitser Adolph Hakevoort. Haar man Semken was bemiddeld want kon het pand kopen voor tweeduizend gulden. Hij verkocht het echter een jaar later alweer met honderd gulden winst.

‘Onpasselijk van lighaam’

De nieuwe waard en huiseigenaar, de Duitser Hendrik Tarp, was eveneens katholiek. Vermoedelijk kwam ook hij in de zaak via de dienstmeid, want zijn vrouw Anna Geesink woonde al voor zijn trouwen aan de Achterburgwal. Tarp hield het aanzienlijk langer vol dan Semken: van 1765 tot zijn overlijden in mei 1779. Tijdens het opmaken van zijn testament in 1778 was hij al ‘onpasselijk van lighaam’. Zijn weduwe verkocht de herberg met een forse overwaarde voor 3500 gulden aan Willem Keijser, een tapper van Denekamp in Overijssel. Ook deze nieuwe uitbater was weer rooms: met zijn eerste vrouw Angenis Trahe uit Vreden doopte hij vier kinderen in de katholieke huiskerk De Star, gelegen tussen het Rusland en de Spinhuissteeg. In 1799 overleed zijn vrouw en een jaar later hertrouwde Keijser met Maria Brand, een katholieke weduwe. Tien jaar nadien verkochten zij het herbergpand. Gezien zijn lange staat van dienst – van 1780 tot 1810 –moet Willem Keijser de dienstige waard met het malle mutsje op Schoutens tekening zijn geweest. Hij was toen 52 jaar oud.

De tapperij rond 1880. foto: Kunsthandel Gebr. Douwes. SAA 010005001355

Zuipende studenten bij Sommerkamp

In de negentiende eeuw volgde een ingrijpende verbouwing van het pand naast de Oudemanhuispoort tot de huidige verschijning drie verdiepingen. Opeenvolgende tappers beproefden hun geluk, waar eerst de studenten van de Koninklijke Akademie voor Beeldende Kunsten hun dorst lesten en vanaf 1880 de al even drankzuchtige bezoekers van de gemeentelijke universiteit. In 1887 verkreeg Fredrik Evert Sommerkamp een drankvergunning op deze locatie voor een tapperij annex slijterij.

De tapperij ten tijde van de weduwe Sommerkamp, 1909. SA HDAB00004000002_002

Na zijn dood werd Sommerkamp opgevolgd door zijn achttien jaar jongere weduwe, Theodora Nijdeken uit Twello. Zij woonde met hun drie jonge dochters op de onderste verdiepingen, want boven verbleven een schipper uit Zaltbommel en diens echtgenote. Brandveilig was de woonsituatie niet: in 1891 woedde er een kleine binnenbrand en in 1914 een schoorsteenbrand.

Detail van het opgegraven keldertje, foto stadsherstel Thomas Schlijper, 2011

Tapkraantje

In 1923 stond het onbewoonde huis te koop, waarna de gemeente het kocht voor zevenduizend gulden en het verhuurde aan Pfann en zijn boekenbezit. Na het vertrek van de derde generatie Pfann – de legendarische Henk Pfann alias Mosis Sneeuw die is begraven in zijn eigen bakfiets in de vorm van een bijbel – kwam er een juwelier-horlogemaker in het pand. Deze vertrok toen er ingrijpend funderingsherstel moest plaatsvinden. De Universiteit van Amsterdam verzocht Stadsherstel om het monument over te nemen. Tijdens de restauratie werd er een vermoedelijk voorraadkeldertje aangetroffen, versierd met zeventiende-eeuwse tegels. Het keldertje was gevuld met puin en afval, zoals potscherven, een ton, een braadpan en een tapkraantje, stille getuigen van het natte verleden.

Geplaatst in herbergen, inns | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Vroege vuurwerkverboden

Professioneel afgestoken vuurwerk in 1697 ter ere van het bezoek van tsaar Peter de Grote
Stadsarchief Amsterdam, beeldbank 010097004923.

Lokale overheden en burgers kampen al eeuwen met vuurwerkoverlast. Dankzij een zoektocht in krantenzoekmachine Delpher lepelt de NOS twintigste-eeuwse voorbeelden op in Meppel en Arnhem, maar Amsterdam vaardigde al vanaf de zeventiende eeuw verboden uit op het afsteken ‘vuur-pijlen, klapbossen ofte andere vuurwerken’.

Brandgevaar

De achterliggende reden van de zeventiende-eeuwse verboden was vooral dat het vuurwerk branden kon veroorzaken. Tijdens van de overheidswege afgekondigde dank- en bededagen en andere hoogtijdagen was het afsteken van vuurwerk wel toegestaan. In de dagen rond de feestelijkheden liep het echter geregeld uit de hand, omdat pyromanen dag en nacht vuurpijlen afschoten en voetzoekers en met ‘klapbussen’ (knalvuurwerk) gooiden. Vanwege het risico op een stadsbrand publiceerde het stadsbestuur kort na de viering van de zeeslag tegen de Engelsen bij Chatham in 1667 een strenge verbodsbepaling met een hoge boete op het produceren, importeren en afsteken van vuurwerk. Ouders of voogden van minderjarigen zouden opdraaien voor eventuele baldadigheden door hun oogappels.

De vrede van Westminster, 1674, ets van Romeyn de Hooghe. Rijksmuseum RP-P-OB-76.315.

Zeven jaar later, na de sluiting van de Vrede van Westminster in 1674, was er opnieuw een vuurwerkverbod nodig in Amsterdam. Hierin werd expliciet een uitzondering gemaakt voor de ‘vuurdagh’ waarmee de hernieuwde vrede met Engeland zou worden gevierd, al bleef het gooien van ‘voetsoekers en cissers’ verboden. Vanwege het extreme brandgevaar van houten schepen, houtopslagplaatsen en timmerwerven was het havenfront – van het Blaauwhooft tot aan Funen – aangewezen als ‘vuurwerkvrije zone’. Ook nu was de straf – honderdvijftig gulden boete en een rechterlijke ‘correctie’ – niet mals en draaiden ouders of voogden van minderjarigen op voor het vuurwerkmisbruik van hun kinderen en heren en dames des huizes voor de pyrotechnische streken van hun personeelsleden.

Voetzoekers

De keur van 1674 was een herhaling van eerdere vuurwerkverboden uit 1648, 1666 en de bovengenoemde keur uit 1667. Vuurwerkoverlast was dus toen al een populair en onuitroeibaar verschijnsel. In 1678 verscheen Pyrotechnia of Meer dan hondertderleye konstvermakelijcke vuurwerken, de Nederlandse vertaling van het boek van een Engelse artillerist en pyrotechnicus. Dit was vooral bestemd als handleiding voor professionele makers van vuurwerkshows, al gaf de auteur ook een recept voor voetzoekers, die hij aanduidde als ‘serpenten’. Daarmee konden kwajongens prima uit de voeten. Zo gooiden balorige jongelieden in 1703 een brandende voetzoeker naar binnen in een winkel in de Tuinstraat. Gebruikmakend van de paniek plunderden zij de winkel.

Volgens Ter Gouw (Volksvermaken, deel 1, 117-118) luidden Amsterdammers het nieuwe jaar ook in met het afschieten van een klein kanon, dat zij speciaal voor die gelegenheid op zolder bewaarden. Daarbij gebeurden ‘baldadigheden en verregaande moedwilligheden’, reden waarom het stadsbestuur ook dit in de achttiende eeuw aan banden wilde leggen. Ter Gouw kon persoonlijk getuigen dat in zijn jeugd nog de Kalverstraat trilde ‘op hare fondamenten als “’t oude in ’t nieuwe’ geschoten werd’. In oktober 1868 boog de Gemeenteraad zich over het lawaaiige gebruik, waardoor zowel mensen als paarden zich een hoedje schrokken en waardoor brand kon ontstaan. Tot een verbod is het toen niet gekomen.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

De vrolijke laatste reis van Den Uyl

Feestmaal bij de begrafenis van Gerrit Dirksz den Uyl, herbergier te Sloten, 1680. Rijksmuseum RP-P-OB-82.508

Moderne bacchanalen met kerst en Oud & Nieuw vallen geheel in het niet vergeleken met het exorbitante Hollandse feestmaal na de begrafenis van Gerrit Dircksz den Uyl. De laatste tocht van deze herbergier uit Sloten, per draagbaar naar de kerk tegenover zijn huis, bracht in 1680 zoveel mensen op de been, dat een verkeersinfarct dreigde.

650 kilo vlees en 4600 liter wijn

De lijkstatie van de ‘al-om-bekenden Herbergier’ uit het dorp onder de rook van Amsterdam dook voor het eerst op in de collectie Koddige en Ernstige Opschriften van de zeventiende-eeuwse grapjas en boekhandelaar Hieronymus Sweerts (1629-1696). Deze maakte slechts een beknopte notitie van het consumptieverbruik in het sterfhuis en andere herbergen te Sloten. Gezamenlijk dronken de gasten zeventig halve vaten bier, zowel bitter als zoet, twintig okshoofden (ruim 4600 liter) Franse en rijnwijn. Tussentijds aten zij 28 stukken kalfsborst, twaalf schaapsbouten, achttien grote venezoenen met witte korsten en tweehonderd pond frikadellen (een soort gehaktballen), inclusief brood, boter, mosterd, kaas en Amerikaanse tabak ‘in vollen overvloet’. Interessant hierbij is de vermelding dat het merendeel van de circa 650 kilo vlees op het Koningsplein gebraden was: behalve in de Nes zat ook hier een bescheiden concentratie van pastei- en banketbakkers.

Vanwege de toestroom aan bezoekers lag de – indertijd natte – Overtoom helemaal vol met schuitjes, terwijl de landroute over de Sloterweg was bezet met een file van tweehonderd meter aan wagens en sjezen. Onderweg op de landroute passeerden zij zestig bedelaars, in alle stadia van dronkenschap verkerend. In plaats van een aalmoes te geven spuugden de feestgangers op hen. Al met al was de begrafenis van Gerrit den Uyl een gebeurtenis van jewelste, die nog lang over de tong zou gaan. Ook historicus Simon Schama wist er wel raad mee. In zijn in 1987 verschenen The Embarrassment of Riches (Nederlandse vertaling: Overvloed en onbehagen) was het een aardige casus om de ‘overvloed’ aan te tonen (p. 150-151).

De Sloterweg, met rechts het Rechthuis van Sloten, ets, 1727. SAA 010097002329

Het ‘onbehagen’ in het verhaal van Den Uyl is minder evident. Wel overheerste dat gevoel bij een deel van Schama’s lezers. Het grote publiek smulde indertijd van diens vlot geschreven cultuurgeschiedenis van de Noordelijke Nederlanden, maar een groep – deels zure maar ook precieze – historici benadrukten vooral de verkeerde interpretaties en slordige omgang met het bronnenmateriaal van de Britse tv-historicus. Feitelijk leverde hij amateuristisch broddelwerk, waarvoor een student nog geen voldoende zou halen. Zo situeerde Schama het begrafenisfeest in dat andere Sloten, in Friesland, zat hij er met zijn datering (1660) twintig jaar (!) naast en noemde hij de herbergier abusievelijk ‘Van Uyl’. Overigens was Den Uyl tevens schepen (rechter) en weesmeester in het lokale bestuur en als impostmeester was hij verantwoordelijk voor het innen van de accijnzen op alcoholische dranken (bier, wijn en brandewijn). In die laatste hoedanigheid zal de Slotenaar meer van zijn kapitaal hebben bijeengeschraapt dan als waard (SAA, NA 1933/280, not, D. Doornick, 8-11-1663).

De door Schama gebruikte bron, de Koddige opschriften, noemt de Brit zelf ‘not altogether reliable’, omdat het immers een verzameling grappen en grollen betreft. Bevestiging van Den Uyls begrafenis, op 21 mei 1680, is echter eenvoudig terug te vinden in de begraafregisters van Sloten (SAA, Archief van de Burgerlijke Stand van de Gemeente Sloten (5431), inv.nr. 32). Helaas staat hierin dan weer niet vermeld hoe Den Uyls drankhuis heette, maar de prent in de Koddige opschriften toont een uithangbord met een zwaan dat ook terugkeert op een ets uit 1727 (zie de afbeelding boven). Gezien de faam en financiële armslag van de waard zal zijn gegaan om Het Rechthuis aan het dorpsplein, waar ook het lokale bestuur vergaderde en waar een zwaan het uithangbord sierde. Tot ver in de twintigste eeuw was dit nog een gezellig café met een speeltuin, tot een tijdelijk krankzinnig geworden Amsterdamse gemeente het historische doch gammele herbergpand uit de zeventiende eeuw in 1951 ten grave droeg (Het Parool 12-10-1951).

.

Links een vrouw op een fiets, rechts het Rechthuis in Sloten (nrs. 1230 tot 1226 en 1224). Foto, 1928. SAA A01634001571.
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Kunstschatten, kermisklanten en kinderslavernij in Amsterdamse notariële akten

Notaris Pieter van Perssen of zijn klerken waren fervente droedelaars. Afb. uit Jaarboek Amstelodamum.

Op vrijdag 11 november is de presentatie van het Jaarboek Amstelodamum over Alle Amsterdamse Akten. Ik was hierbij betrokken als gastredacteur en schreef zelf over de notariële archieven en de – al dan niet geslaagde – pogingen om greep te krijgen op deze papierberg. De overige bijdragen tonen de diversiteit en mogelijkheden van het bronnenmateriaal, dat in totaal 3,5 kilometer plankruimte beslaat. Over kermisklanten en dierenspel, diplomaten, een 3D-reconstructie van een grachtenpand, migratiegeschiedenissen van Scandinaviërs, een Sefardisch-joodse bigamist, de verkoop van slaafgemaakte kinderen, het creatieve arsenaal aan door de klerken genoteerde scheldwoorden, zwarte vrouwen in de zeventiende eeuw en een uitzonderlijk begrafenisritueel binnen de achttiende-eeuwse Asjkenazische gemeenschap. De notarissen zelf hun werkzaamheden en hun klanten komen in dit prachtige boek ook aan bod, alsmede hun artistieke verrichtingen tijdens ledige momenten op hun ‘comptoir’ (zie afbeelding).

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

De Reuzen van Kragsheim en Miltenberg

Foto van toenmalig Hotel Riesen in Miltenberg am Main met drie kereltjes op en rond de pomp, 1897.

In haar beschrijving van de fictieve geboorteplaats van de Effingers noemt Elise Hirschmann (ps. Gabriele Tergit) Gasthof Riesen als een van de voornaamste trekpleisters. De herberg in het Beierse fantasiestad ‘Kragsheim’ gold namelijk als oudste van Duitsland. Hirschmann verzon dit niet: De Reus bestaat nog altijd, in Miltenberg in de deelstaat Beieren.

Kerk en krijg

Miltenberg is een Playmobilachtige plaats aan de Main met vakwerkbouwhuizen, middeleeuws aandoende steegjes, een fraaie toren, marktpleintje en een pronte parochiekerk. Het stadje Kragsheim uit De Effingers is daarentegen protestants maar de kerk is gewijd aan Sint Jakobus, evenals het godshuis in Miltenberg, met hoog boven de gevels uitreikende torens, ‘als dreigement en bescherming en als teken van eeuwigheid’. Een slot is er ook in beide plaatsen, alsmede een later afgebroken ommuring. De brug over over de Main heet in Miltenberg niet de ‘Karlsbrücke’ en de heilige Christoffel en de dichtregels van Goethe zijn afwezig op de huidige boogbrug. Dat laatste is weinig verwonderlijk: de Miltenbergse brug dateert van 1900 en is geheel nieuw opgebouwd na verwoesting door zich terugtrekkende Duitse troepen in 1945. Op het Torhaus (1898) is wel een heilige met een staf afgebeeld, doch zonder kindeke op zijn schouder.

Miltenberg met de burcht Mildenburg. Uit: Topographia Hassiae (1655).

Ook het in De Effingers beschreven landschap komt enigszins overeen met dat rondom Miltenberg. ‘Rivier, weide, landweg en dorp, bergen en bossen, met de geur van bruisende bronnen’. Hirschmann, die geschiedenis en filosofie had gestuurd aan de universiteiten van Berlijn, München, Heidelberg en Frankfurt am Main, beschrijft ook de decimering van de bevolking van haar verzonnen oord ‘Kragsheim’ in de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). Bij aanvang telde die stad nog dertigduizend inwoners, ‘maar toen die afgelopen was, kropen er drieduizend verwilderd, uitgehongerd en schuw hun huizen uit en liepen de varkens door de straten’. In het veel kleinere Miltenberg ging het om een halvering van het inwonertal, van circa drieduizend naar vijftienhonderd inwoners, als gevolg van langstrekkende, plunderende troepen en een pestuitbraak veroorzaakt door Zweedse soldaten van koning Gustaaf Adolf. Ook in ‘Kragsheim’ kwam laatstgenoemde vorst op bezoek, al was hij daar als voorvechter van de protestanten meer dan welkom.

Landschap vanaf de Mildenburg uit: Ludwig Braunfels, Die Mainufer und ihre nächsten Umgebungen (Verlag Carl Etlinger, Würzburg 1847).

Joodse gemeenschap

Ook leefde er in Miltenberg – evenals in Kragsheim – een kleine joodse gemeenschap. Na vervolging en verdrijving in de middeleeuwen vestigden zich in de loop van de achttiende eeuw opnieuw joodse inwoners. In de negentiende eeuw verdubbelde hun aantal van vijftig in 1803 tot 106 in 1900, bijna drie procent van de totale bevolking. Onder de familienamen bevonden zich geen Effingers, noch was er sprake van een joodse horlogemaker welk beroep de stamvader uitoefende. Wel woonden en werkten er joodse kooplieden, veehandelaren, kramers, tabaks- en textielverkopers en een schoenwinkelier. In april en september 1942 zijn de laatste Miltenbergse joden gedeporteerd en vermoord.

De 32-jarige Gabriele Tergit, ps. van Elise Hirschmann, als journaliste en beginnend auteur. Foto: Jens Brüning/Schöffling & CO.

Tot slot herberg De Reus van Kragsheim. Hirschmann moet de faam van dit oude drankhuis in Miltenberg gekend hebben uit contemporaine of oudere geschriften. Al in 1865 publiceerde de Miltenbergse  bosbouwer en heemkundige Philipp Joseph Madler zijn Historische Denkwürdigkeiten des Gasthauses zum Riesen in Miltenberg am Main, met vooraf een Anton Pieckerig plaatje van de herberg. Hierin noemt hij langdurige verblijven van Frederik de Barbarossa in 1158 en 1168, waarmee Riesen stellig de oudste herenherberg van Duitsland zou zijn. Daarna logeerde er een lange sliert vorstelijke figuren, zoals Ludwig IV der Bayer van wie in 1816 nog het hemelbed versierd met Beierse leeuwen viel te bewonderen op de logeerkamers.

Herberg Riesen rond 1900.

Te kleine paardenstal

De adellijke herenherberg uit de middeleeuwen werd in 1590 afgebroken en geheel herbouwd, zoals valt te lezen op de gedenkplaquette aan de gevel. Daarna (in 1621) volgden bezoeken – of eerder inkwartieringen – van veldheer Tilly, opperbevelhebber van de Katholieke Liga en keizerlijke troepen in de Dertigjarige Oorlog, en diens tegenstander, de eerdergenoemde Zweedse stamgast Gustaaf Adolf. Verder noemt Madler nog bevelhebber Albrecht von Wallenstein, koningin Christina van Zweden en dist hij een hagiografisch verhaal op over een logeerpartij van kerkhervormer Maarten Luther en de katholieke graaf van Erbach in 1518.

In 1924 verscheen er een artikel van J. Kachel (‘Herberge und gastwirtschaft in Deutschland bis zum 17. jahrhundert’, Vierteljahrschrift für Sozial- und Wirtschaftsgeschichte, II Heft, p. 135) dat Hirschmann wellicht onder ogen heeft gekregen. Hierin was sprake van een strijd om de titel ‘alteste deutsche Fürstenherberge’ tussen Het Anker in Saalfeld (Thüringen) en De Reus in Miltenberg. Aangezien Het Anker, voorheen de Vergulde Gans, dateert van de dertiende eeuw en pas in 1547 – en dan ook nog eens eenmalig – een vorst heeft ontvangen, wint de Miltenbergse Reus met groot gemak dankzij Barbarossa’s bezoek. In zijn informatieve maar bijzonder foute Kulturgeschichte der Gaststätte (1941) toont Rauers zich verbolgen over verbouwingen door de uitbaters van Riesen in de Nazitijd. Zo was de oude hoofdingang dichtgemetseld (‘was man wieder ändern sollte’, deel 1, p. 174) en was de stalruimte aanmerkelijk ingeperkt, zodat er niet meer dan tien paarden in passen waar er voorheen plaats was voor een honderdtal.

Het huidige uiterlijk van Gasthof Riesen in Miltenberg.

Volgens de huidige hoteliers van Gasthaus zum Riesen in Miltenberg is het onbekend hoe oud hun herberg is. De eerste officiële schriftelijke vermelding dateren zij pas op 1411, omdat de oudere middeleeuwse bronnen waarop herberghistoricus Madler zich baseerde niet meer raadpleegbaar waren. Daarmee zouden zij de titel oudste ‘alteste deutsche Fürstenherberge’ verliezen. De recentere geschiedenis van Riesen onder de kasteleinsfamilie Hülbig is verder redelijk bedroevend (‘2 Weltkriege überstanden sie und der Tourismus lief nur langsam an’). In 1970 was het eeuwenoude pand bouwvallig geworden en dreigde zelfs sloop, totdat de architect Werner Jöst de Riesen opkocht en het gedurende vijftien jaar ingrijpend renoveerde. Tot drastische uitbreiding van de paardenstal, zoals gewenst door Rauers, is het daarbij niet gekomen. Het huidige kleurtje kreeg de gevel pas in 2002. Van het herbergpand bestaat tevens een plastic modelbaanvariant op kabouterschaal.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

De laatste vuuraanlegster

In de winters van de Kleine IJstijd was het Amsterdamse stadhuis – nu het Koninklijk Paleis – op de Dam een onbehaaglijke werkplek. De regenten en ambtenaren werkten in hoge vertrekken met natuurstenen patroonvloeren en marmeren schouwen en voorzien van slecht onderhouden vensterramen, waardoor kou en tocht vrij spel hadden. Verwarming kwam van de haardvuren in schouwen en kachels, aangestoken en onderhouden door een vrouwelijke ambtenaar: de vuuraanlegster.

Vuurboetster vereeuwigd door Jan Luyken, 1711. Rijksmuseum, RP-P-1896-A-19368-2655

De vuuraanlegster – of met een nog mooiere term: de ‘vuurboetster’ – gaf leiding aan een vuurknecht in vaste dienst en een extra hulp voor de drukke wintermaanden. Als de werkdag erop zat voor de regenten en ambtenaren, dan moest dit trio alle haarden en kachels afsluiten met ijzeren roosters en deurtjes. Voordat zij naar huis mochten, dienden zij ook alle stoven te hebben geleegd. Dat gebeurde in ‘de Vuurhaard’: een centrale haard in een vertrek op de begane grond waar de vuuraanlegster en haar knechten kantoor hielden.

Rapport van Jan van der Heijden en Jan van der Heijden de Jonge over het verbruik van turf., 28-8-1683, op calculatie van Jan Meyer op aangeven van diens vrouw, vuuraanlegster Annetje Abrahams. SAA

In 1683 liet het stadsbestuur vuuraanlegster Annetje Abrahams schatten hoeveel brandstof (turf) er op het stadhuis verstookt werd, in de hoop hierop te kunnen besparen. Van deze ruim tienduizend manden turf ging het hoogste aantal (1690 manden) in rook op in haar eigen Vuurhaard: circa tien manden per dag. Andere grootverbruikers waren de stadhuisconciërge en de cipier van de stedelijke gevangenis, eveneens op de benedenverdieping. Vanwege de aanhoudende koude kwam het niet tot een serieuze bezuiniging, die immers zou leiden tot ‘vermindring van wermte’. Enig soelaas – ook tegen de ernstige rookoverlast – boden de in de 18de eeuw geplaatste kachels.

Lees meer over dit bijzondere ambt en het politiek gemotiveerde ontslag van de laatste vuuraanlegster van het stadhuis in de nieuwste editie van Ons Amsterdam (oktober 2022).

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Kunst onder de slagroede in het Herenlogement

cover Kunst, kennis en kapitaal, de binnenplaats van het Oudezijds Herenlogement aan de Grimburgwal

Onlangs verschenen is de bundel Kunst, kennis en kapitaal, Oude meesters op de Hollandse veilingmarkt 1670-1820 (Walburg Pers 2022), waaraan mijn bijdrage staat over de locaties van het vroegmoderne veilingwezen maar daarnaast ook veel vermakelijks is te lezen van Junko Aono, Pieter Bruinsma, Trude Dijkstra, Frans Grijzenhout, Marleen Puyenbroek, Jaap van der Veen, Marleen de Vries en Ester Wouthuysen.

De auteurs

De boekpresentatie was in een universiteitsgebouw aan de Grimburgwal, op de locatie van het Oudezijds Herenlogement. In de achttiende eeuw vonden daar de kijkdagen plaats van ‘huissieraaden, kleederen en kostbaarheden’, zoals grafiek en schilderijen. Tijdens die sociale hoogtijdagen moesten oppassers en ‘tafelknechten’ inlichtingen verschaffen aan de massaal toegestroomde bepruikte bezoekers. Ook moesten zij ervoor waken dat de kunstliefhebbers iets zouden stelen of vernielen, of – nog erger – de kavelnummering zouden verstoren. Daags erna waren de veilingen, waarover verder valt te lezen in Kunst, kennis en kapitaal, verkrijgbaar bij de betere boekhandel.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Een blokje om in 17de-eeuws Vlooienburg

Rondleiding door Vlooienburg, detail van Berckenrodes plattegrond van Amsterdam, 1657.

Een rondleiding over het verdwenen Amsterdamse eiland Vlooienburg (nu: Stopera) in de tweede helft van de zeventiende eeuw voert ons langs aderlatende joodse chirurgijns en armendokters, Oost-Friese roodharige bakkers, prostituees, creatieve boekhouders, een ‘katlievende’ Sefardische weduwe, Iberische kooplieden met koude voeten, een lawaaiige kopersmid uit Hamburg, gokkers en kaatsers, herbergiers, Hebreeuwse drukkers en een zwarte vrouw die haar einde vond op de armenbegraafplaats. Lees voor dit alles gratis en voor niets online de laatste aflevering van Studia Rosenthaliana (Volume 48, Issue 1, aug 2022, p. 53-79). PS: De letters van de halteplaatsen van de wandeltocht zijn daar door de war geraakt, maar bovenstaande plattegrond met de correcte verwijzingen zal t.z.t. bij het artikel worden geplaatst.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Vlooienburg en het zelfportret van Abraham Idaña

Op dinsdag 12 oktober 2021 sprak ik over de Amsterdamse multi-etnische buurt Vlooienburg (nu: Stopera) en in het bijzonder over één bewoner, de geloofsvluchteling, koopman en schrijver Gaspar Méndez del Arroyo alias Abraham Idaña (1623-1690). Deze ontsnapte in 1660 ternauwernood aan de Spaanse Inquisitie en vestigde zich in de Nederlandse Republiek waar hij met met zijn vrouw en twee zoontjes neerstreek in de Korte Houtstraat op het kunstmatige eiland Vlooienburg. Op de afbeelding hierboven staat het zelfportret dat hij toevoegde aan een van zijn manuscripten. Mijn lezing staat online bij Columbia University Libraries, te bekijken via deze link.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Help Harry en muzikaal Noord

De zaal en ontvangstruimte van Harry’s repetitiestudio  Sound Studio 10 in Noord

Sound Studio 10 aan de Parlevinker in de Banne, één van de weinige oefenruimtes voor muzikanten in Amsterdam-Noord, dreigt door snode sloopplannen van Woningstichting Rochdale en een laks en ongeïnformeerd stadsdeelbestuur te verdwijnen. Steun de strijd voor het behoud van deze muzikale parel en teken de petitie. Ook de laatste oefenstudio van Noord, in het Hamerkwartier, zal verdwijnen dankzij wanbeleid van stadsdeel Noord.

Vanaf 2014 kon je in Sound Studio 10 met je band of als solist oefenen in geluidsdichte ruimtes, ook waren er optredens, jamsessies, muzieklessen voor kinderen en zelfs ‘een rockschool voor senioren’ die – eventueel moeilijk ter been of gewoon lui – gratis kunnen parkeren. Komend najaar zal de sympathieke uitbater Harry ten Have op maandagmiddagen bandprojecten voor kinderen organiseren. En zoals de legendarische, wijze jazzdrummer Art Blakey al zei: ‘Een knul die op een saxofoon leert blazen, zal nooit een kluis opblazen; hij weet wel beter’ (interview Slagwerkkrant nr. 20, februari-maart 1987, p. 5).

Ruimte_3
Een van de luxe ruimtes van Sound Studio 10.

Ondanks het evidente maatschappelijke belang van Harry’s muziekstudio in de verder nogal geestloze Banne (bijgenaamd Banne-Lieu) meent het stadsdeel Noord dat deze ‘geen buurtbinding’ heeft en ‘te weinig aan de buurt’ zou toevoegen. In een brief schreef stadsdeelbestuurder Esther Lagendijk (cultuur) pedant de volgende woorden: ‘Ik acht uw meerwaarde in het kader van Kunst en Cultuur voor de Banne beperkt’. Harry uitte zijn onbegrip hierover in de lokale pers: ‘Noord wil zich ontwikkelen tot een hotspot voor cultuurondernemers. Ik snap niet hoe het stadsdeel dat op deze manier wil doen’. Het stadsdeel reageerde hier weer op met een warrig verhaal over een broedplaats met podium, ‘waar lokale kunstenaars werken en buurtbewoners hun talenten kunnen tonen en ontwikkelen’. In de nieuwbouwplannen is geen repetitieruimte voor muzikanten opgenomen.

Kortom, teken de petitie en help Harry de winter door.

UPDATE 9-9-21

Binnen enkele maanden zal ook de oefenruimte van Rewind Music Studio in het Hamerkwartier het veld moeten ruimen. Hierdoor is er straks in Amsterdam-Noord geen repetitieruimte meer over is voor luidruchtige bandjes en solisten. Het Hamerkwartier is voor een groot deel verkocht aan de Texaanse investeerder Hines, omdat het stadsdeel heeft verzuimd de grond te reserveren. Hierdoor zijn de huidige bewoners en pionierende bedrijfjes overgeleverd aan deze vastgoedcowboys en zullen er betaalbare goedkope huurwoningen of bedrijfsruimten komen, waaraan juist zo n grote behoefte is in Amsterdam. Het is nuttig om te weten dat dit geen vergissing is, maar actief beleid van de gemeente met betrekking tot de stedelijke rafelranden. Investeerders en bouwontwikkelaars staan voorop, bewoners en bedrijven hebben het nakijken.

Art Blakey
De helaas in 1990 overleden bandleider en jazzdrummer Art Blakey alias Abdullah Ibn Buhaina in actie.
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen