Schimmel zonder Fortuin

Kattengat op Berckenrode

Het Fortuintje op de plattegrond van Berckenrode, 1625.

Het Fortuintje in het Kattengat was een van de  eenvoudigere herbergen van zeventiende-eeuws Amsterdam. Uitbater Schimmel heeft er geen dynamische bedrijfsvoering gehouden: hij eindigde zonder meubels en met een huurschuld. Onder zijn bewind legde ook vermaaksherberg de Rode Doolhof het loodje. Schimmels wat mistroostige tapperscarrière biedt inzicht in de hygiënische aspecten van het herbergbedrijf en het vastgoedbezit van Roemer Visscher.

 

 

Huisje van Roemer Visscher

In of vóór 1641 vestigde Thonis/Teunis Jansz Schimmel (ca. 1614-1668) zich in Amsterdam. Hij was geboren in Leusbroek, een dorp ten zuiden van Amersfoort. Als huistimmerman in de grote stad verdiende hij voldoende om drie huizen te kopen, met een totale waarde van 14.800 gulden (transportakten 11/20-5 en 8-6-1645). In 1646 werd hij mede-eigenaar van het Fortuin, een huis aan het Kattengat. Dit was indertijd een smal grachtje tussen de Stromarkt en de huidige Spuistraat. Aan de zuidzijde liep Schimmels pand door tot het ‘huisje van wylen Roemer Visscher’, aan de Stromarkt (Singel). De vermelding van de bekende letterkundige (1547-1620) in een verkoopakte uit 1646 wekt enige verbazing. Visschers eigen woning – de Korendrager en na zijn dood ook wel het ‘Saligh Roemers Huys’ genoemd – stond immers aan de Geldersekade (ter hoogte van de huidige nummers 14 en 16). Het huisje aan de Stromarkt had hij in 1611 al verkocht, maar in de stedelijke administratie leefde het voort als zijn bezit.

 

sinnepoppen001
Titelpagina Roemer Visschers Sinnepoppen, 1614.

 

Thonis Schimmel woonde zelf in het huis aan het Kattengat. Hij hield er ook herberg: het Fortuintje. In de kermismaand (september) van 1645 hadden een wijnkoper en een man uit Hoorn een vrolijke avond in een van zijn herbergkamertjes. Van de genoten dranken moesten zij stevig wateren. Dat gebeurde op de kamer in een tinnen waterpot, ‘die sij wanneer die vol was ende de gelegentheyt vereyschte, int steechje ofte gange neffens deselve camer uijtgooten’ (SAA, Archief 5075, inv.nr. 1620, p. 145, notaris J. de Graeff, attestatie 30-11-1645). Eventuele voorbijgangers in het steegje plukten de wrange vruchten van deze nonchalante manier van doorspoelen.

Rode Doolhof

Herbergier Schimmel bleef altijd ongehuwd. Zakelijk gezien was dat onverstandig. Succesvolle herbergen werden immers geleid door dynamische kasteleinsechtparen, terwijl vrijgezelle uitbaters het zelden lang volhielden. Financieel ging het Schimmel dan ook niet voor de wind. In 1647 moest hij een van zijn huizen verkopen en een jaar later verloor hij zijn aandeel in het Fortuintje. Voortaan moest hij zijn herberg annex woonhuis huren, waardoor hij algauw een aanzienlijke betalingsachterstand had opgelopen.

uitsnede Kaart Janssonius 1657 010001000820

Omgeving van de Rode Doolhof op plattegrond Janssonius, 1657.

In 1662 verhuisde Schimmel naar de Rode Doolhof, een vermaaksherberg buiten de Regulierspoort, ongeveer op de plaats waar nu het Thorbeckeplein en de Herengracht samenkomen. Evenmin als het Fortuintje was dit een voorname herberg. Wel bood de ligging bij de stadspoort mogelijkheden voor opvang van gestrande reizigers en transportpersoneel, voor wier paarden en koetsen er voldoende ruimte was in stallen en weiden. Daarnaast kwamen er agrariërs van de nabijgelegen veemarkt op het Reguliersplein (nu: Rembrandtplein). Als extra attractie was er een pleziertuin met beweegbare en geluid makende beelden, zoals allerhande dieren, een cupidootje en een vrouw met ontblote borsten. Die attracties waren het werk van eigenaar Jan Ellegoot (ca. 1600-1654), een geboren Leidenaar die was overgegaan tot het Jodendom en handelde in bier en tabak. Ellegoot liet ook een biljart plaatsen en liet de uitbaters betalen voor het slijten van het laken. Zijn achterkleinzoon was Jacob Ellegoot Osorio, met wie ik hem in mijn boek (p. 227) per abuis heb verwisseld.

Eén fles wijn

Met Schimmel als uitbater van de Rode Doolhof trok deze herberg nauwelijks nog publiek. Hierdoor was hij niet in staat zijn oude huurschuld (600 gulden) te voldoen. Verkoop van de versleten inboedel van het Fortuintje had slechts 477 gulden opgeleverd, dankzij topstukken zoals schilderijen van konijnen en van ossen achter een ploeg. In november 1662 kreeg Schimmel in zijn nieuwe herberg de Rode Doolhof bezoek van de impostmeester, die zijn drankvoorraad kwam peilen om hem accijnsbelasting te kunnen opleggen. Schimmel had slechts twee kannen en één fles wijn in huis, dus er viel weinig te halen. Ook bij zijn nieuwe huisbaas liep hij een huurachterstand op. In 1665 moest de Rode Doolhof, inclusief tuinen en attracties, wijken voor de nieuwe stadsuitbreiding.

Thonis Schimmel bleef wonen in de buurt van de ossenmarkt (Rembrandtplein). Begin 1668 overleed hij thuis, op de hoek van de Wagenstraat en de Amstelstraat, eenzaam en berooid.

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Bredero’s herbergbezoek

bredero_1Hell afb 1

Ruwweg vierhonderd jaar geleden overleed Gerbrand Adriaensz Bredero (1585-1618), na – maar niet per se ten gevolge van – een ongelukkige tocht over het ijs. Ter gelegenheid van dit jubileumjaar schreef ik een beschouwing over het kroegbezoek van deze toneelschrijver, met casestudies over twee doelenkasteleins. Mijn blog is gratis te lezen op de site van de Stichting Herdenking Bredero.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Boekpresentatie Amsterdamse herberg

omslag2.jpgZaterdag 25 november 2017 is de boekpresentatie van de handelsuitgave van mijn proefschrift De Amsterdamse herberg (1450-1800), vanaf 16.45 uur in Boekhandel Scheltema (Rokin 9, Amsterdam). Na korte lezingen met lichtbeelden door kunst-  en architectuurhistoricus Gerrit Vermeer en mijzelf zal ik het eerste exemplaar ceremonieel overhandigen aan Midas Dekkers, bekend bioloog, kasteleinskind en ijverig pleitbezorger van het bruine café. De toegang is gratis, maar graag aanmelden via de website van Uitgeverij Vantilt.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Vanaf vrijdag 3 november verkrijgbaar:

Omslag2

Afbeelding | Geplaatst op door | Een reactie plaatsen

Bepruikte burgervader met ‘platten toon’

De Vrij Temminck door Wandelaar BB010055000366De achttiende-eeuwse burgemeester Egbert de Vrij Temminck (1700-1785) zou uitzonderlijk populair zijn geweest bij het gewone volk van Amsterdam, vanwege de ‘familiaren en zelfs platten toon dien hij in zijn omgang met den minderen man wist aan te slaan’. Maar hoe dicht bij het volk stond deze regent in werkelijkheid?

Magnificat

In de achttiende eeuw had Amsterdam niet één maar vier burgemeesters, van wie er ieder kwartaal eentje ‘president’ (voorzitter) mocht zijn. Evenmin als tegenwoordig was de burgemeestersverkiezing een democratisch proces: jaarlijks bekonkelde een groepje (oud)burgemeesters en schepenen (rechters) wie tot dit hoogste ambt van de stadsregering zouden worden toegelaten. Sommige burgemeesters hadden het langere tijd achtereen voor het zeggen in Amsterdam: zij hadden het ‘magnificat’. De oppermachtige Egbert de Vrij Temminck – 23 maal gekozen tot burgemeester tussen 1748 en 1784 – stond bekend als een machtige burgemeester. Daarnaast zou hij populariteit genieten bij ‘de burgerij’. En dat in een tijd waarin de afstand tussen regenten en burgers groot was. Toen in 1791 de zingende zusjes Nina en Susette d’Aubigny von Engelbrunner in Amsterdam een huisconcert gaven, wekte het bijvoorbeeld verbazing dat een burgemeester hen muzikaal begeleidde. De regenten zouden ‘gewoonlijk te trots zijn om in dezelfde kring te verkeren als gewone mensen’ (Metzelaar ed., ‘Niet zo erg Hollands’. Dagboek van een reis naar Nederland (1790-1791) (Hilversum 2001) p. 103).

Jonge De Vrij TEmminck BB 010097009271

Egbert de Vrij Temminck (1700-1785) was een ‘voltijds regent’. Afkomstig uit een koopliedengeslacht was hij in het stadsbestuur opgeklommen tot schepen, bewindhebber van de beide handelscompagnieën en raad in het admiraliteitscollege. Dankzij de wetsverzetting (regeringsverandering) door stadhouder Willem IV (1748) werd De Vrij Temminck voor het eerst burgemeester, al toonde hij zich weinig dankbaar. In 1752 sloot hij zich met andere Amsterdamse regenten aan bij de ‘correspondentie’, gericht tegen inmenging van het stadhouderlijk hof in de lokale politiek. Privé ging het De Vrij Temminck niet voor de wind. In 1750 was zijn vrouw, zijn eigen nicht Margaretha Temminck, kinderloos overleden en daarna leefde hij alleen. Financieel had hij weinig te klagen, met (in 1742) een geschat jaarinkomen van zesduizend gulden (dat ongetwijfeld veel hoger lag), een duur pand aan de Herengracht (nu: nr. 194) en een buitenplaats in de Haarlemmerhout. Zijn nalatenschap zou, in 1785, bijna 290.000 gulden bedragen.

Amsterdam first

Samen met de eerste pensionaris Van Berckel gaf De Vrij Temminck vorm aan het Amsterdamse politieke beleid, dat kan worden samengevat met het motto Amsterdam first. Regenten lieten zich – tot grote woede van de Britten – in met de risicovolle smokkelhandel in contrabande goederen en wapentuig, eerst met Frankrijk (tijdens de Zevenjarige Oorlog met Engeland), en vanaf 1774 met de opstandige gewesten in Noord-Amerika. Zoals gezegd was De Vrij Temminck zelf geen koopman, maar zijn familie dreef handel op Frankrijk en de west. In 1778 gaf hij als belangrijkste burgemeester opdracht aan pensionaris Van Berckel om een geheim handelsverdrag te bespreken met een vertegenwoordiger van het Amerikaanse congres. Het conceptverdrag zou in werking treden zodra Engeland de Verenigde Staten had erkend. In 1780 viel een kopie hiervan echter in Britse handen van de Engelsen, die daarin aanleiding zagen om de Republiek de oorlog te verklaren.

Volgens Elias, de grote kenner van het Amsterdamse regentenpatriciaat, had De Vrij Temminck zijn populariteit te danken ‘aan den familiaren en zelfs platten toon, dien hij in zijn omgang met den minderen man wist aan te slaan’ (Geschiedenis van het Amsterdamsche regentenpatriciaat, 239). Hierdoor zou hij een ‘volksbeweging’ geleid hebben om het stadhouderschap te ondermijnen. Elias gaf geen bronmelding, maar baseerde zich op Colenbranders studie naar de Patriottentijd (deel 1, p. 74, n. 1). Op zijn beurt verwijst Colenbrander naar Introduction to the History of the Dutch Republic for the last ten years, reckoning from the year 1777 (Londen 1788) p. 244), van de Britse ambassadeur James Harris. Bij deze diplomaat stond De Vrij Temminck in een kwade reuk, vanwege zijn anti-stadhouderlijke en anti-Britse politiek. De karakterschets in de Introduction was dan ook niet mals. Volgens de auteur was De Vrij Temminck (‘M. van Tamine’), ‘a man of low birth, mean education and moderate fortune’. Weliswaar was hij absoluut heerser van Amsterdam (p. 242), maar dit zei niets over zijn kwaliteiten, aldus de gemelijke Brit. Zijn kennis zou extreem gering zijn en hij was zo ongeveer analfabeet – maar vanwege zijn sterke republikeinse beleid, genoot hij toch aanzien. De burgemeester zou geen groot retoricus zijn en nauwelijks grammaticale kennis bezitten: ‘zijn taal was ordinair en barbaars, maar hij sprak met zoveel energie dat dit zijn beperkingen compenseerde’ (p. 244).

‘Vulgar republicans’

De Vrij Temmincks haat jegens de Oranjestadhouder en diens Engelse vrienden vergrootten zijn populariteit, zo meende zijn Britse criticaster. Zijn platte manier van spreken en denken, waren ‘identiek aan die van de onderste lagen van de Amsterdamse bevolking’ en daardoor was De Vrij Temminck het idool geworden van de ‘vulgar republicans’. Daarmee doelde auteur echter niet op de ‘gewone man’, maar op zijn mederegenten van republikeinse snit. Over zijn eventuele omgang met de man in de straat, schreef Harris niets. Ook een ander citaat dat Colenbrander aanhaalde over De Vrij Temminck is uit zijn verband gerukt. Volgens de Franse gezant Vauguyon (brief d.d. 25-2-1777) heerste de Amsterdamse burgemeester in de Statenvergadering ‘despotiquement’ met zijn republikeinse beleid. Dan volgt de zin ‘Le peuple le regarde comme son défenseur et son père’ (geciteerd in: D.M.M. d’Hangest baron d’Yvoy van Mijdrecht, Frankrijks Invloed op de buitenlandsche aangelegenheden der voormalige Nederlandsche Republiek (Arnhem 1858) p. 80). De Fransman doelde hiermee niet op het ‘gewone volk’, maar op de mensen (vertegenwoordigers) in de Statenvergaderingen: de regenten, met persoonlijke belangen bij de contrabandehandel, die zich vertegenwoordigd voelden in De Vrij Temminck.

Toch klonken ook buiten de officiële regeringscolleges loftuitingen op De Vrij Temminck. Met name in de patriottentijd (1780-1787), toen de stadhouderlijke partij steeds verder in het nauw kwam, werd de grijsaard geroemd met lierzangen. ‘Gy hoort uit zynen mond de taal der Amstellaren // Wier ongeveinsde trouw de naneef roemen zal’, zo schreef een broodpoeet ter gelegenheid van zijn 81ste verjaardag (Ambrosius Justus Zubli; Amsterdam 1781). Een andere gelegenheidsauteur prees de toegankelijkheid van de burgemeester: ‘Elk burger mogt gerust in nood u bijstand vraagen // Nooit gold bij u ’t verschil van rang’ (Feestzang op den één en tachtigsten jaardag van […] Egbert de Vry Temminck (Amsterdam 1781).  Een jaar later, in 1782, klonk opnieuw de loftrompet voor de (kinderloze) De Vrij Temminck: Gij houdt ons voor uw eigen kroost // Wij u voor onzen Vader // Elk burger raadt gij [geeft gij raadt], als een Vrind // Daar u geen trotse waan verblindt’ (De burgerij van Amsterdam aan […] mr. Egbert de Vrij Temminck; Amsterdam 1782).

Standbeeld De Vrij TEmminck BB 010097009272

Ontwerp voor een nooit geplaatst standbeeld voor De Vrij Temminck in Amsterdam op de Dam.

Pruik

Kwalificaties als ‘raadgever’ en ‘vader’ wijzen toch weer in de richting van een burgemeester die ‘dicht bij het volk’ stond, al kan het ook allemaal spreekwoordelijk bedoeld zijn. Het imago van Egbert de Vrij Temminck als volkse burgemeester bleef hoe dan ook als een spook rondwaren door de geschiedschrijving, onder meer dankzij mijzelf (Geschiedenis van Amsterdam, deel IIb, p. 337) en het NNBW-lemma. In 2014 kreeg Egbert de Vrij Temminck kortstondig enige landelijke bekendheid. Paul Spies, voormalig directeur van het Amsterdam Museum, toonde in een uitzending van DWDD (11-3-2014) zijn ceremoniële pruik. Hij koos het als object dat toenmalig president Obama tijdens zijn bezoek aan Nederland zeker zou moeten zien, omdat De Vrij Temminck ‘de onafhankelijkheidsstrijd van het land waar u president van bent geworden, een flink duwtje in de rug heeft gegeven’ (Amsterdam Museum). Spies doelde daarmee op het geheime verdrag dat de burgemeester had laten sluiten met de Amerikaanse revolutionairen. Obama liet de pruik links liggen en koos zoals bekend voor een bezoek aan het Rijksmuseum en de Nachtwacht. Misschien ziet zijn opvolger meer heil in een eerbetoon aan de achttiende-eeuwse populist.

Pruik van De Vrij Tremminck

De pruik van Egbert de Vrij Temminck. Amsterdam Museum.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Rauers onfrisse cultuurgeschiedenis

matrozenkneipe036.jpg

In 1941 verscheen een lijvig overzichtswerk over de geschiedenis van het herbergwezen. Deze Kulturgeschichte der Gaststätte van de historicus Friedrich Rauers is rijk geïllustreerd en geldt als een standaardwerk, maar het boek verscheen onder auspiciën van de nazi-staatssecretaris van ‘vreemdelingenverkeer’ en bevat dubieuze passages. De moderne herbergvorser zit ermee in zijn maag.

 

Rauers en Rathenau

Terwijl ik de laatste hand leg aan de handelseditie van mijn proefschrift over het Amsterdamse herbergwezen (1450-1800), binnenkort te verschijnen bij Vantilt, staat het boek van Rauers als een loden last in de boekenkast. De beide dikke delen (totaal 1518 pagina’s) gelden als standaardwerk en ik kon ze voor een prikje aanschaffen bij Antiquariaat Kok, maar het verhaal achter de publicatie is onwelriekend. Eenmaal thuisgekomen bleek mijn exemplaar een tweede druk (Leipzig 1942): binnen drie maanden was de eerste editie namelijk al uitverkocht, ‘mitten im Kriege’, zoals ook de auteur enigszins verbaasd schrijft in het voorwoord. Kennelijk voorzag zijn boek in een behoefte: de geschiedenis van de uitspanningen en kroegen van weleer boden de lezer een nostalgische terugkeer naar vervlogen tijden, toen het nog vrij reizen was en er nog geen bommen vielen.

Rauers_Friedrich1

 

De auteur van de Kulturgeschichte der Gaststätte was de al wat oudere Bremer historicus Friedrich Rauers (1879-1954). Van plattelandsafkomst had hij zich via het stedelijke gymnasium opgewerkt tot professor (1917), gespecialiseerd in de handelsgeschiedenis van de Noord-Duitse steden. Vanaf 1920 was hij hoofdarchivaris van het rijksarchief in Potsdam en universitair docent economische geschiedenis. Na de extreemrechtse moord op de industrieel-politicus Walther Rathenau, in 1922, nam Rauers het initiatief tot inrichting van een Rathenau-Archiv. Onder het naziregime verloor hij (daardoor?) zijn archieffunctie. Hij was echter wel lid van de NSDAP en van de Nationalsozialistischer Deutscher Dozentenbund en bleef tijdens de Tweede Wereldoorlog als privaatdocent verbonden aan de universiteit in Berlijn. Een vijand van het naziregime was Rauers dus allerminst.

Nazitoerisme

Tussen zijn wetenschappelijke werkzaamheden door verzamelde Rauers jarenlang plaatjes van uitspanningen, herbergen en kroegen, als onderdeel van zijn persoonlijke ‘beeldbank’ van tienduizenden historische afbeeldingen. Deze kwamen van pas toen hij eind jaren dertig de kans kreeg om een boek over dit onderwerp te schrijven in de reeks van de ‘Hermann Esser Forschungsgemeinschaft für Fremdenverkehr’. Naamgever Hermann Esser (1900-1981), auteur van het antisemitische manifest Die jüdische Weltpest (1927), was een goede vriend van Hitler, maar werd in 1939 op een politiek – maar financieel voordelig – zijspoor gezet. Als staatssecretaris van de ‘Fremdenverkehrsabteilung, onderdeel van Goebbels’ ministerie van Volksvoorlichting en Propaganda, moest hij zich met het toerisme in het Derde Rijk gaan bezighouden. Dat diende vooral om Duitsers liefde voor het vaderland bij te brengen en om reizigers en burgers voor te houden dat het dagelijks leven in nazi-Duitsland gewoon doorging (K. Semmens, Seeing Hitler’s Germany. Tourism in the Third Reich, 1-2). In zijn nieuwe positie beschikte Esser over budgetten, die hij deels aanwendde voor een (semi)wetenschappelijke boekenreeks over de geschiedenis van het vreemdelingenverkeer. Alleen de studie over de Gaststätte zou uiteindelijk verschijnen: auteur Rauers droeg deze op aan Esser, die hem met ruimhartige fondsen had vrijgesteld van zijn universitaire arbeid. In zijn  voorwoord koppelt Esser de traditionele Duitse gastvrijheid aan de ‘nieuwe levensstijl’ van het nationaalsocialisme.

Rauers klaagt in zijn eigen inleiding dat hij in de oorlogswinter van 1939 in de schuilkelder de drukproeven moest doornemen. Toch was er in januari 1941 een dik boek. Op basis van reisverslagen, archiefstukken, beeldmateriaal, volkscultuur, letterkunde en reclamemateriaal schetst Rauers hierin delen de ontwikkeling van het vreemdelingenverkeer (met Gastlichtkeit en Gastrecht als centraal begrippenpaar), de Hanzekantoren en het ontstaan van de ‘beroepsherberg’ tot en met de geschiedenis van de moderne horeca. Hij beperkt zich niet tot de uitdijende grenzen van het Duitse Rijk, maar bespreekt ook Italiaanse, Engelse en Franse hotels en zelfs Amerikaanse jazzkelders in Harlem – dat laatste niet uit eigen ervaring, maar uit het Amerikaboek van Arthur Rundt. Tussen de regels door is er ruimte voor kritiek. Met grote distantie schrijft hij bijvoorbeeld over ‘Niggertanz und die Niggermusik’, zoals hij het noemt (p. 1410). Actiever keert Rauers zich tegen Amerikaanse hotelmuzak (p. 666) en de ‘protzige Modekrankheit’ van de wolkenkrabbers, die ‘glücklicherweise’ in Europa geen vaste grond aan de voeten heeft gekregen (p. 668).

Na de oorlog

In vergelijkend perspectief steekt het Duitse herbergwezen volgens Rauers met kop en schouders uit boven de vaak armetierige nachtopvang elders in Europa. Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn bespreking van de Hollandse ‘Schlaf- und Huerbaase’, de logementhouders die hun gasten lieten slapen over het touw. Alleen in Marseille of Las Palmas was het nóg erger, al konden de Chinezen er ook wat van: daar moesten de zeelieden met hun kop door het plafond de nacht doorbrengen, aldus Rauers. De – fictieve – wanpraktijken van een Hollandse slaapbaas destilleert hij uit een passage uit een boek van de Amsterdamse fantast en sigarenhandelaar Justus van Maurik.

In de categorie Bierschenken bespreekt Rauers ook de bierkelders waar de nazibeweging ontstond, inclusief plaatjes met hakenkruizen en andere nazisymboliek. Al met al heeft het boek een bijzonder onfrisse bijsmaak, ook al doet de auteur zijn best om het allemaal gezellig en apolitiek te houden. Tot in de winter van 1944-45 bleef Rauers lesgeven, aan de Humboldt-Universität. Na de oorlog vertrok hij met zijn plaatjesverzameling naar Tübbingen, waar hij in 1954 overleed. Elf jaar later werd er in Bremen een straat naar hem vernoemd. Esser was toen allang vervroegd vrijgelaten uit gevangenschap en bestierde in München een goedlopend reisbureau. In 1980 feliciteerde de CSU-minister-president van de deelstaat Beieren (Franz Josef Strauß) hem nog met zijn tachtigste verjaardag; een jaar later was Esser dood.

Vanwege de achtergronden is Rauers boek moeilijk te lezen als objectieve studie naar de geschiedenis van het vreemdelingenverkeer. Toch deel ik zijn interesse in het onderwerp en dist Rauers ook wetenswaardigheden op, die een nuttige bijdrage zijn aan de schaarse geschiedschrijving op dit gebied, zoals zijn paragrafen over de Fuhrmansgasthöfe en Werbhäuser (beide in band 2). Bovendien geven de ruim zevenhonderd afbeeldingen, deels foto’s van oude plattelandsherbergen, hotels en Matrosenkneipen, een beeld van een verdwenen verleden. De deels verholen en deels ostentatieve nazipropaganda maken het boek als geheel echter onsmakelijke kost: het zijn geen voetsporen waarin je graag wilt treden.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Held Holdsworth hemelt

Holdsworth

Gisteren hoorde ik het verdrietige nieuws dat meestergitarist Allan Holdsworth (1946) is overleden. ‘The Man Who Changed Guitar Forever’ was uitvinder van een eigen genre en zijn spel inspireerde talloze andere instrumentalisten. Holdsworth verkoos muziek boven de commercie en kreeg daardoor nooit de grootschalige aandacht die hij verdiende.

Waar zijn zelfverklaarde fans als Joe Satriani, Steve Vai en Steve Lukather doorgaans optreden in enorme concerthallen, zag ik Holdsworth de laatste keer (2012) in een halflege zaal in Amstelveen, of all places. Geflankeerd door bassist Jimmy Haslip en de intens zwetende drummer Virgil Donati stond hij daar op het podium, een zwijgende magiër met vingers die als een tarantula over zijn gitaarhals vlogen. De toeschouwers konden zijn lyrische virtuositeit slechts ademloos en met open mond waarnemen en stonden een paar uur later perplex op de stoep, ik in ieder geval wel.

SynthAxe

Muziek is gelukkig geen wedstrijd, maar Allan Holdsworth stond eenzaam aan de top in een door hemzelf gecreëerde buitencategorie. Hij was namelijk de uitvinder van een geheel eigen genre, ergens tussen jazz en rock, met herkenbare thema’s, exotische toonladders en veel ruimte voor improvisatie. Uit zijn gitaar wist Holdsworth een wonderschoon en warm geluid te toveren, zelfs op de op het oog steriele elektronische SinthAxe die hij vanaf de jaren tachtig v.d.v.e. bespeelde.

allanholdsworth met synthaxe

Na beluistering van de ceedee-uitgave van zijn tweede album I.O.U. (1985) ging ik indertijd naarstig op zoek naar ’s mans werk, zoals ook zijn briljante bijdragen aan platen van U.K. en de soloalbums van drummer Bill Bruford, Tony Williams en Chad Wackerman. Zelfs de licht-stonede discoplaat Capricorn Princess van Esther Philips schafte ik aan omdat Holdsworth erop aan het werk was als sessiemuzikant. Luister echter liever naar I.O.U., Road Games (1983), Metal Fatigue (1985), Secrets (1989) en de liveplaten met bassist Jimmy Johnson, grotendeels online te vinden. Of koop The Man Who Changed Guitar Forever!, een box met alle twaalf solo-albums die negen dagen voor zijn dood verscheen.

Holdsworth met SynthAxe

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen