Boekpresentatie Amsterdamse herberg

omslag2.jpgZaterdag 25 november 2017 is de boekpresentatie van de handelsuitgave van mijn proefschrift De Amsterdamse herberg (1450-1800), vanaf 16.45 uur in Boekhandel Scheltema (Rokin 9, Amsterdam). Na korte lezingen met lichtbeelden door kunst-  en architectuurhistoricus Gerrit Vermeer en mijzelf zal ik het eerste exemplaar ceremonieel overhandigen aan Midas Dekkers, bekend bioloog, kasteleinskind en ijverig pleitbezorger van het bruine café. De toegang is gratis, maar graag aanmelden via de website van Uitgeverij Vantilt.

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Vanaf vrijdag 3 november verkrijgbaar:

Omslag2

Afbeelding | Geplaatst op door | Een reactie plaatsen

Bepruikte burgervader met ‘platten toon’

De Vrij Temminck door Wandelaar BB010055000366De achttiende-eeuwse burgemeester Egbert de Vrij Temminck (1700-1785) zou uitzonderlijk populair zijn geweest bij het gewone volk van Amsterdam, vanwege de ‘familiaren en zelfs platten toon dien hij in zijn omgang met den minderen man wist aan te slaan’. Maar hoe dicht bij het volk stond deze regent in werkelijkheid?

Magnificat

In de achttiende eeuw had Amsterdam niet één maar vier burgemeesters, van wie er ieder kwartaal eentje ‘president’ (voorzitter) mocht zijn. Evenmin als tegenwoordig was de burgemeestersverkiezing een democratisch proces: jaarlijks bekonkelde een groepje (oud)burgemeesters en schepenen (rechters) wie tot dit hoogste ambt van de stadsregering zouden worden toegelaten. Sommige burgemeesters hadden het langere tijd achtereen voor het zeggen in Amsterdam: zij hadden het ‘magnificat’. De oppermachtige Egbert de Vrij Temminck – 23 maal gekozen tot burgemeester tussen 1748 en 1784 – stond bekend als een machtige burgemeester. Daarnaast zou hij populariteit genieten bij ‘de burgerij’. En dat in een tijd waarin de afstand tussen regenten en burgers groot was. Toen in 1791 de zingende zusjes Nina en Susette d’Aubigny von Engelbrunner in Amsterdam een huisconcert gaven, wekte het bijvoorbeeld verbazing dat een burgemeester hen muzikaal begeleidde. De regenten zouden ‘gewoonlijk te trots zijn om in dezelfde kring te verkeren als gewone mensen’ (Metzelaar ed., ‘Niet zo erg Hollands’. Dagboek van een reis naar Nederland (1790-1791) (Hilversum 2001) p. 103).

Jonge De Vrij TEmminck BB 010097009271

Egbert de Vrij Temminck (1700-1785) was een ‘voltijds regent’. Afkomstig uit een koopliedengeslacht was hij in het stadsbestuur opgeklommen tot schepen, bewindhebber van de beide handelscompagnieën en raad in het admiraliteitscollege. Dankzij de wetsverzetting (regeringsverandering) door stadhouder Willem IV (1748) werd De Vrij Temminck voor het eerst burgemeester, al toonde hij zich weinig dankbaar. In 1752 sloot hij zich met andere Amsterdamse regenten aan bij de ‘correspondentie’, gericht tegen inmenging van het stadhouderlijk hof in de lokale politiek. Privé ging het De Vrij Temminck niet voor de wind. In 1750 was zijn vrouw, zijn eigen nicht Margaretha Temminck, kinderloos overleden en daarna leefde hij alleen. Financieel had hij weinig te klagen, met (in 1742) een geschat jaarinkomen van zesduizend gulden (dat ongetwijfeld veel hoger lag), een duur pand aan de Herengracht (nu: nr. 194) en een buitenplaats in de Haarlemmerhout. Zijn nalatenschap zou, in 1785, bijna 290.000 gulden bedragen.

Amsterdam first

Samen met de eerste pensionaris Van Berckel gaf De Vrij Temminck vorm aan het Amsterdamse politieke beleid, dat kan worden samengevat met het motto Amsterdam first. Regenten lieten zich – tot grote woede van de Britten – in met de risicovolle smokkelhandel in contrabande goederen en wapentuig, eerst met Frankrijk (tijdens de Zevenjarige Oorlog met Engeland), en vanaf 1774 met de opstandige gewesten in Noord-Amerika. Zoals gezegd was De Vrij Temminck zelf geen koopman, maar zijn familie dreef handel op Frankrijk en de west. In 1778 gaf hij als belangrijkste burgemeester opdracht aan pensionaris Van Berckel om een geheim handelsverdrag te bespreken met een vertegenwoordiger van het Amerikaanse congres. Het conceptverdrag zou in werking treden zodra Engeland de Verenigde Staten had erkend. In 1780 viel een kopie hiervan echter in Britse handen van de Engelsen, die daarin aanleiding zagen om de Republiek de oorlog te verklaren.

Volgens Elias, de grote kenner van het Amsterdamse regentenpatriciaat, had De Vrij Temminck zijn populariteit te danken ‘aan den familiaren en zelfs platten toon, dien hij in zijn omgang met den minderen man wist aan te slaan’ (Geschiedenis van het Amsterdamsche regentenpatriciaat, 239). Hierdoor zou hij een ‘volksbeweging’ geleid hebben om het stadhouderschap te ondermijnen. Elias gaf geen bronmelding, maar baseerde zich op Colenbranders studie naar de Patriottentijd (deel 1, p. 74, n. 1). Op zijn beurt verwijst Colenbrander naar Introduction to the History of the Dutch Republic for the last ten years, reckoning from the year 1777 (Londen 1788) p. 244), van de Britse ambassadeur James Harris. Bij deze diplomaat stond De Vrij Temminck in een kwade reuk, vanwege zijn anti-stadhouderlijke en anti-Britse politiek. De karakterschets in de Introduction was dan ook niet mals. Volgens de auteur was De Vrij Temminck (‘M. van Tamine’), ‘a man of low birth, mean education and moderate fortune’. Weliswaar was hij absoluut heerser van Amsterdam (p. 242), maar dit zei niets over zijn kwaliteiten, aldus de gemelijke Brit. Zijn kennis zou extreem gering zijn en hij was zo ongeveer analfabeet – maar vanwege zijn sterke republikeinse beleid, genoot hij toch aanzien. De burgemeester zou geen groot retoricus zijn en nauwelijks grammaticale kennis bezitten: ‘zijn taal was ordinair en barbaars, maar hij sprak met zoveel energie dat dit zijn beperkingen compenseerde’ (p. 244).

‘Vulgar republicans’

De Vrij Temmincks haat jegens de Oranjestadhouder en diens Engelse vrienden vergrootten zijn populariteit, zo meende zijn Britse criticaster. Zijn platte manier van spreken en denken, waren ‘identiek aan die van de onderste lagen van de Amsterdamse bevolking’ en daardoor was De Vrij Temminck het idool geworden van de ‘vulgar republicans’. Daarmee doelde auteur echter niet op de ‘gewone man’, maar op zijn mederegenten van republikeinse snit. Over zijn eventuele omgang met de man in de straat, schreef Harris niets. Ook een ander citaat dat Colenbrander aanhaalde over De Vrij Temminck is uit zijn verband gerukt. Volgens de Franse gezant Vauguyon (brief d.d. 25-2-1777) heerste de Amsterdamse burgemeester in de Statenvergadering ‘despotiquement’ met zijn republikeinse beleid. Dan volgt de zin ‘Le peuple le regarde comme son défenseur et son père’ (geciteerd in: D.M.M. d’Hangest baron d’Yvoy van Mijdrecht, Frankrijks Invloed op de buitenlandsche aangelegenheden der voormalige Nederlandsche Republiek (Arnhem 1858) p. 80). De Fransman doelde hiermee niet op het ‘gewone volk’, maar op de mensen (vertegenwoordigers) in de Statenvergaderingen: de regenten, met persoonlijke belangen bij de contrabandehandel, die zich vertegenwoordigd voelden in De Vrij Temminck.

Toch klonken ook buiten de officiële regeringscolleges loftuitingen op De Vrij Temminck. Met name in de patriottentijd (1780-1787), toen de stadhouderlijke partij steeds verder in het nauw kwam, werd de grijsaard geroemd met lierzangen. ‘Gy hoort uit zynen mond de taal der Amstellaren // Wier ongeveinsde trouw de naneef roemen zal’, zo schreef een broodpoeet ter gelegenheid van zijn 81ste verjaardag (Ambrosius Justus Zubli; Amsterdam 1781). Een andere gelegenheidsauteur prees de toegankelijkheid van de burgemeester: ‘Elk burger mogt gerust in nood u bijstand vraagen // Nooit gold bij u ’t verschil van rang’ (Feestzang op den één en tachtigsten jaardag van […] Egbert de Vry Temminck (Amsterdam 1781).  Een jaar later, in 1782, klonk opnieuw de loftrompet voor de (kinderloze) De Vrij Temminck: Gij houdt ons voor uw eigen kroost // Wij u voor onzen Vader // Elk burger raadt gij [geeft gij raadt], als een Vrind // Daar u geen trotse waan verblindt’ (De burgerij van Amsterdam aan […] mr. Egbert de Vrij Temminck; Amsterdam 1782).

Standbeeld De Vrij TEmminck BB 010097009272

Ontwerp voor een nooit geplaatst standbeeld voor De Vrij Temminck in Amsterdam op de Dam.

Pruik

Kwalificaties als ‘raadgever’ en ‘vader’ wijzen toch weer in de richting van een burgemeester die ‘dicht bij het volk’ stond, al kan het ook allemaal spreekwoordelijk bedoeld zijn. Het imago van Egbert de Vrij Temminck als volkse burgemeester bleef hoe dan ook als een spook rondwaren door de geschiedschrijving, onder meer dankzij mijzelf (Geschiedenis van Amsterdam, deel IIb, p. 337) en het NNBW-lemma. In 2014 kreeg Egbert de Vrij Temminck kortstondig enige landelijke bekendheid. Paul Spies, voormalig directeur van het Amsterdam Museum, toonde in een uitzending van DWDD (11-3-2014) zijn ceremoniële pruik. Hij koos het als object dat toenmalig president Obama tijdens zijn bezoek aan Nederland zeker zou moeten zien, omdat De Vrij Temminck ‘de onafhankelijkheidsstrijd van het land waar u president van bent geworden, een flink duwtje in de rug heeft gegeven’ (Amsterdam Museum). Spies doelde daarmee op het geheime verdrag dat de burgemeester had laten sluiten met de Amerikaanse revolutionairen. Obama liet de pruik links liggen en koos zoals bekend voor een bezoek aan het Rijksmuseum en de Nachtwacht. Misschien ziet zijn opvolger meer heil in een eerbetoon aan de achttiende-eeuwse populist.

Pruik van De Vrij Tremminck

De pruik van Egbert de Vrij Temminck. Amsterdam Museum.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Rauers onfrisse cultuurgeschiedenis

matrozenkneipe036.jpg

In 1941 verscheen een lijvig overzichtswerk over de geschiedenis van het herbergwezen. Deze Kulturgeschichte der Gaststätte van de historicus Friedrich Rauers is rijk geïllustreerd en geldt als een standaardwerk, maar het boek verscheen onder auspiciën van de nazi-staatssecretaris van ‘vreemdelingenverkeer’ en bevat dubieuze passages. De moderne herbergvorser zit ermee in zijn maag.

 

Rauers en Rathenau

Terwijl ik de laatste hand leg aan de handelseditie van mijn proefschrift over het Amsterdamse herbergwezen (1450-1800), binnenkort te verschijnen bij Vantilt, staat het boek van Rauers als een loden last in de boekenkast. De beide dikke delen (totaal 1518 pagina’s) gelden als standaardwerk en ik kon ze voor een prikje aanschaffen bij Antiquariaat Kok, maar het verhaal achter de publicatie is onwelriekend. Eenmaal thuisgekomen bleek mijn exemplaar een tweede druk (Leipzig 1942): binnen drie maanden was de eerste editie namelijk al uitverkocht, ‘mitten im Kriege’, zoals ook de auteur enigszins verbaasd schrijft in het voorwoord. Kennelijk voorzag zijn boek in een behoefte: de geschiedenis van de uitspanningen en kroegen van weleer boden de lezer een nostalgische terugkeer naar vervlogen tijden, toen het nog vrij reizen was en er nog geen bommen vielen.

Rauers_Friedrich1

 

De auteur van de Kulturgeschichte der Gaststätte was de al wat oudere Bremer historicus Friedrich Rauers (1879-1954). Van plattelandsafkomst had hij zich via het stedelijke gymnasium opgewerkt tot professor (1917), gespecialiseerd in de handelsgeschiedenis van de Noord-Duitse steden. Vanaf 1920 was hij hoofdarchivaris van het rijksarchief in Potsdam en universitair docent economische geschiedenis. Na de extreemrechtse moord op de industrieel-politicus Walther Rathenau, in 1922, nam Rauers het initiatief tot inrichting van een Rathenau-Archiv. Onder het naziregime verloor hij (daardoor?) zijn archieffunctie. Hij was echter wel lid van de NSDAP en van de Nationalsozialistischer Deutscher Dozentenbund en bleef tijdens de Tweede Wereldoorlog als privaatdocent verbonden aan de universiteit in Berlijn. Een vijand van het naziregime was Rauers dus allerminst.

Nazitoerisme

Tussen zijn wetenschappelijke werkzaamheden door verzamelde Rauers jarenlang plaatjes van uitspanningen, herbergen en kroegen, als onderdeel van zijn persoonlijke ‘beeldbank’ van tienduizenden historische afbeeldingen. Deze kwamen van pas toen hij eind jaren dertig de kans kreeg om een boek over dit onderwerp te schrijven in de reeks van de ‘Hermann Esser Forschungsgemeinschaft für Fremdenverkehr’. Naamgever Hermann Esser (1900-1981), auteur van het antisemitische manifest Die jüdische Weltpest (1927), was een goede vriend van Hitler, maar werd in 1939 op een politiek – maar financieel voordelig – zijspoor gezet. Als staatssecretaris van de ‘Fremdenverkehrsabteilung, onderdeel van Goebbels’ ministerie van Volksvoorlichting en Propaganda, moest hij zich met het toerisme in het Derde Rijk gaan bezighouden. Dat diende vooral om Duitsers liefde voor het vaderland bij te brengen en om reizigers en burgers voor te houden dat het dagelijks leven in nazi-Duitsland gewoon doorging (K. Semmens, Seeing Hitler’s Germany. Tourism in the Third Reich, 1-2). In zijn nieuwe positie beschikte Esser over budgetten, die hij deels aanwendde voor een (semi)wetenschappelijke boekenreeks over de geschiedenis van het vreemdelingenverkeer. Alleen de studie over de Gaststätte zou uiteindelijk verschijnen: auteur Rauers droeg deze op aan Esser, die hem met ruimhartige fondsen had vrijgesteld van zijn universitaire arbeid. In zijn  voorwoord koppelt Esser de traditionele Duitse gastvrijheid aan de ‘nieuwe levensstijl’ van het nationaalsocialisme.

Rauers klaagt in zijn eigen inleiding dat hij in de oorlogswinter van 1939 in de schuilkelder de drukproeven moest doornemen. Toch was er in januari 1941 een dik boek. Op basis van reisverslagen, archiefstukken, beeldmateriaal, volkscultuur, letterkunde en reclamemateriaal schetst Rauers hierin delen de ontwikkeling van het vreemdelingenverkeer (met Gastlichtkeit en Gastrecht als centraal begrippenpaar), de Hanzekantoren en het ontstaan van de ‘beroepsherberg’ tot en met de geschiedenis van de moderne horeca. Hij beperkt zich niet tot de uitdijende grenzen van het Duitse Rijk, maar bespreekt ook Italiaanse, Engelse en Franse hotels en zelfs Amerikaanse jazzkelders in Harlem – dat laatste niet uit eigen ervaring, maar uit het Amerikaboek van Arthur Rundt. Tussen de regels door is er ruimte voor kritiek. Met grote distantie schrijft hij bijvoorbeeld over ‘Niggertanz und die Niggermusik’, zoals hij het noemt (p. 1410). Actiever keert Rauers zich tegen Amerikaanse hotelmuzak (p. 666) en de ‘protzige Modekrankheit’ van de wolkenkrabbers, die ‘glücklicherweise’ in Europa geen vaste grond aan de voeten heeft gekregen (p. 668).

Na de oorlog

In vergelijkend perspectief steekt het Duitse herbergwezen volgens Rauers met kop en schouders uit boven de vaak armetierige nachtopvang elders in Europa. Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn bespreking van de Hollandse ‘Schlaf- und Huerbaase’, de logementhouders die hun gasten lieten slapen over het touw. Alleen in Marseille of Las Palmas was het nóg erger, al konden de Chinezen er ook wat van: daar moesten de zeelieden met hun kop door het plafond de nacht doorbrengen, aldus Rauers. De – fictieve – wanpraktijken van een Hollandse slaapbaas destilleert hij uit een passage uit een boek van de Amsterdamse fantast en sigarenhandelaar Justus van Maurik.

In de categorie Bierschenken bespreekt Rauers ook de bierkelders waar de nazibeweging ontstond, inclusief plaatjes met hakenkruizen en andere nazisymboliek. Al met al heeft het boek een bijzonder onfrisse bijsmaak, ook al doet de auteur zijn best om het allemaal gezellig en apolitiek te houden. Tot in de winter van 1944-45 bleef Rauers lesgeven, aan de Humboldt-Universität. Na de oorlog vertrok hij met zijn plaatjesverzameling naar Tübbingen, waar hij in 1954 overleed. Elf jaar later werd er in Bremen een straat naar hem vernoemd. Esser was toen allang vervroegd vrijgelaten uit gevangenschap en bestierde in München een goedlopend reisbureau. In 1980 feliciteerde de CSU-minister-president van de deelstaat Beieren (Franz Josef Strauß) hem nog met zijn tachtigste verjaardag; een jaar later was Esser dood.

Vanwege de achtergronden is Rauers boek moeilijk te lezen als objectieve studie naar de geschiedenis van het vreemdelingenverkeer. Toch deel ik zijn interesse in het onderwerp en dist Rauers ook wetenswaardigheden op, die een nuttige bijdrage zijn aan de schaarse geschiedschrijving op dit gebied, zoals zijn paragrafen over de Fuhrmansgasthöfe en Werbhäuser (beide in band 2). Bovendien geven de ruim zevenhonderd afbeeldingen, deels foto’s van oude plattelandsherbergen, hotels en Matrosenkneipen, een beeld van een verdwenen verleden. De deels verholen en deels ostentatieve nazipropaganda maken het boek als geheel echter onsmakelijke kost: het zijn geen voetsporen waarin je graag wilt treden.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Held Holdsworth hemelt

Holdsworth

Gisteren hoorde ik het verdrietige nieuws dat meestergitarist Allan Holdsworth (1946) is overleden. ‘The Man Who Changed Guitar Forever’ was uitvinder van een eigen genre en zijn spel inspireerde talloze andere instrumentalisten. Holdsworth verkoos muziek boven de commercie en kreeg daardoor nooit de grootschalige aandacht die hij verdiende.

Waar zijn zelfverklaarde fans als Joe Satriani, Steve Vai en Steve Lukather doorgaans optreden in enorme concerthallen, zag ik Holdsworth de laatste keer (2012) in een halflege zaal in Amstelveen, of all places. Geflankeerd door bassist Jimmy Haslip en de intens zwetende drummer Virgil Donati stond hij daar op het podium, een zwijgende magiër met vingers die als een tarantula over zijn gitaarhals vlogen. De toeschouwers konden zijn lyrische virtuositeit slechts ademloos en met open mond waarnemen en stonden een paar uur later perplex op de stoep, ik in ieder geval wel.

SynthAxe

Muziek is gelukkig geen wedstrijd, maar Allan Holdsworth stond eenzaam aan de top in een door hemzelf gecreëerde buitencategorie. Hij was namelijk de uitvinder van een geheel eigen genre, ergens tussen jazz en rock, met herkenbare thema’s, exotische toonladders en veel ruimte voor improvisatie. Uit zijn gitaar wist Holdsworth een wonderschoon en warm geluid te toveren, zelfs op de op het oog steriele elektronische SinthAxe die hij vanaf de jaren tachtig v.d.v.e. bespeelde.

allanholdsworth met synthaxe

Na beluistering van de ceedee-uitgave van zijn tweede album I.O.U. (1985) ging ik indertijd naarstig op zoek naar ’s mans werk, zoals ook zijn briljante bijdragen aan platen van U.K. en de soloalbums van drummer Bill Bruford, Tony Williams en Chad Wackerman. Zelfs de licht-stonede discoplaat Capricorn Princess van Esther Philips schafte ik aan omdat Holdsworth erop aan het werk was als sessiemuzikant. Luister echter liever naar I.O.U., Road Games (1983), Metal Fatigue (1985), Secrets (1989) en de liveplaten met bassist Jimmy Johnson, grotendeels online te vinden. Of koop The Man Who Changed Guitar Forever!, een box met alle twaalf solo-albums die negen dagen voor zijn dood verscheen.

Holdsworth met SynthAxe

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Goud maken voor stadhouder Willem III

king_william_iii_of_england_1650-1702

Onlangs zijn er twee fraaie boeken verschenen over Willem III van Oranje (1650-1702), de stadhouder die tevens koning van Engeland werd. Vergeefs zoeken we hierin naar zijn relatie met de Amsterdamse alchemist mr. Pieter Schenck, bij wie hij de kunst van het goud maken zou hebben geleerd.

Oorlog

Vanwege zijn latere koningschap van Engeland, Schotland en Ierland (vanaf 1689) geniet Willem III internationale faam, die met de publicaties van Bosman, Panhuysen en eerder Troost eindelijk ook goed tot Nederland doordringt. Vanaf 1672 was Willem als stadhouder en legeraanvoerder van de gewesten Oranje Holland, Zeeland en Utrecht verantwoordelijk voor het terugdringen van de Franse troepen die de Republiek der Verenigde Nederlanden bedreigden. In 1674 had hij ambitieuze plannen om samen met Spanje en Oostenrijk het leger van koning Lodewijk XIV ver terug te drijven tot in Frankrijk. Geringe steun van zijn bondgenoten en geldgebrek bemoeilijkten echter een krachtig militair optreden.

Prins op bezoek

De Amsterdamse dokter mr. Pieter Schenck had een oplossing voor de geldzorgen van de stadhouder, zo blijkt uit notariële akten uit 1674 (gepubliceerd in de Kroniek van het Historisch genootschap, 2e jaargang, 2e serie (1854) 34-40, pdf) en in het Nationaal Archief te Den Haag verstopt tussen de Aanwinsten (Eerste Afdeling, inv. nr. 415). Schenck had de aloude alchemistentruc van het goud maken ontdekt en schonk de opbrengsten daarvan aan Willem III, ter subsidiëring van diens oorlogvoering. In totaal had Schenck al dertig ton goud ten bate van de stadhouder aan de Antwerpse Munt gestuurd. Vanzelfsprekend was Oranje in zijn nopjes met de wonderbaarlijke geldstroom: in ruil daarvoor mocht zijn weldoener Schenck zijn vrienden en familie aanbevelen voor hoge baantjes. De prins scheen ook incognito – ‘in boere kleederen’ – bij hem thuis te zijn geweest, waar hij zelf de kunst van het goud maken had geleerd.

alchemist

Dr. Pieter Schenck aan het werk.

‘Die jongen met zijn bult’

Aan de schenkingen kwam een einde toen Pieter Schenck te horen kreeg dat ‘die jongen met zijn bult’, wijzend op de lichte bochel van de stadhouder, het ‘familiegeld’ wilde invoeren. De heffing van deze belasting van 0,5 procent op inkomens en vermogens moest de staatskas op orde brengen, maar leidde tot veel protest onder de belastingplichtige burgerij. Ook dokter Schenck was verbolgen over de belastingplannen. ‘Ick sal hem int toecomende geen geld meer geven’, riep hij verontwaardigd uit tegen een van zijn patiënten.

Pamflet?

De verklaringen over de mysterieuze goudmakerij werden vastgelegd bij de Amsterdamse notaris Michiel Bockx, tevens klerk van de schout. De getuigenissen dienden ongetwijfeld als basis voor een rechtszaak wegens laster, maar daarvan lijkt het niet te zijn gekomen: Schencks naam ontbreekt in de lokale en gewestelijke rechterlijke bronnen en komt evenmin voor in andere archieven of DTB-registers. Afschriften van de akten zijn ook niet terug te vinden in het notarisprotocol van Bockx. Het heeft er alle schijn van dat de stukken deel uitmaakten van een publicitair offensief tegen de invoering van het familiegeld en als geschreven pamflet de ronde deden. En met succes, want de belasting is nooit geheven, onder meer door tegenwerking van Amsterdam.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Alle notariële akten van Amsterdam komen binnen handbereik

berkheyde

Na jarenlang lobbyen is het eindelijk zo ver: de notariële archieven van Amsterdam worden allemaal gedigitaliseerd en ontsloten. Op 29 september 2016 was de aftrap van het monsterproject Alle Amsterdamse Akten met een drukbezocht symposium over deze bijzondere bron.

 

Miskende kunstenaars

Met bijna 3,5 kilometer planklengte en 30.000 inventarisnummers zijn de Amsterdamse notariële archieven (1578-1915), bewaard op het Stadsarchief, de grootste van Nederland. Het belang van de inhoud van de notarisprotocollen (de gezamenlijke akten) is navenant groot, vooral waar het de vroegmoderne periode betreft toen de stad op het hoogtepunt van zijn roem was. De akten hebben veel te bieden aan allerhande historici, sociologen, archeologen, letterkundigen, genealogen en andere geïnteresseerden. De inhoud is buitengewoon divers: van dikke stapels bevrachtingscontracten, testamenten, boedelinventarissen en bloemrijke scheepsverklaringen tot beeldende getuigenverslagen over kleine en grotere criminaliteit, (bastaard)kinderen of beroemde en miskende kunstenaars. Gebruikers moeten er wel rekening mee houden dat akten subjectief zijn: de notaris werd altijd ingeschakeld door een persoon met een bepaald doel voor ogen.

Slordige klerkenhandschriften

Niet alle protocollen zijn indertijd na overlijden of uitdiensttreding van de notaris netjes naar het stadhuis overgebracht, zoals dat sinds 1656 verplicht was. Bovendien zijn bij twee stadhuisbranden, in 1652 en 1762, veel akten verloren gegaan en beschadigd. Toch zijn er meer dan voldoende stukken bewaard gebleven. Onderzoekers uit binnen- en buitenland hebben hun tanden gezet in de eindeloze reeksen oud papier, soms nauwelijks leesbaar door brandschade, slechte verfilming en slordige klerkenhandschriften. Serieus, systematisch onderzoek wordt gedwarsboomd door deze bezwaren maar vooral vanwege het ontbreken van een ‘nadere toegang’, zoals dat in archieftermen heet. Je kunt ze dus niet doorzoeken op persoonsnaam, plaatsnaam of het soort akte.

simon-hart

Dr. Simon Hart (1911-1981), gemeentearchivaris van Amsterdam, vermoedelijk met een ingebonden notarisprotocol op zijn bureau in het toenmalige Gemeentearchief Amsterdam (Amsteldijk 67).

Collectie Hart

De Amsterdamse notariële archieven zijn in de vorige eeuw gedeeltelijk toegankelijk gemaakt door een systeem van duizenden archiefkaartjes: de Collectie Simon Hart (Archiefnr. 30452), genoemd naar de bevlogen archivaris. De vroegste periode – van 1578 tot 1630 – is redelijk uitgebreid geïnventariseerd en voor de periode 1701-1710 zijn zelfs alle registers ontsloten, hoewel die kaartjes niet op persoonsnaam zijn geïndiceerd. Voor de overige periode is minder dan 1 procent van het gehele archief toegankelijk via het genoemde kaartenbaksysteem. Bovendien gaat het daarbij alleen om eigen interesses van Hart en die van zijn ‘klanten’ bij het archief, zoals de walvisvaart, handel op Noord-Amerika en de WIC. Onderzoekers die de kaartenbak van Hart dus als uitgangspunt nemen voor hun studie, hebben slechts een topje van de ijsberg te pakken.

minuutakte-simon-van-sevenhoven-1686

Voorbeeld minuutakte van Simon van Sevenhoven, 1686.

Alle Amsterdamse Akten

Vanaf 2011 hebben Wilma Gijsbers, Kees Zandvliet en ik als ware Cato’s gepleit voor een nadere toegang op deze wonderbron. Dankzij ruimhartige subsidieverstrekkers als het Mondriaan Fonds en inzet van het Stadsarchief kan er nu eindelijk worden begonnen met het scannen en toegankelijk maken van alle notariële akten, van 1578 tot 1915. Het scannen zal gebeuren met de duizelingwekkende snelheid van 15.000 akten per dag; de basale indicering van de akten via het platform Velehanden.nl zal meer voeten in de aarde hebben. Hoe meer mensen zich aanmelden om de akten te ontsluiten, hoe sneller ook dit zal gaan. Meer informatie is te vinden op Alle Amsterdamse Akten.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen