Held Holdsworth hemelt

Holdsworth

Gisteren hoorde ik het verdrietige nieuws dat meestergitarist Allan Holdsworth (1946) is overleden. ‘The Man Who Changed Guitar Forever’ was uitvinder van een eigen genre en zijn spel inspireerde talloze andere instrumentalisten. Holdsworth verkoos muziek boven de commercie en kreeg daardoor nooit de grootschalige aandacht die hij verdiende.

Waar zijn zelfverklaarde fans als Joe Satriani, Steve Vai en Steve Lukather doorgaans optreden in enorme concerthallen, zag ik Holdsworth de laatste keer (2012) in een halflege zaal in Amstelveen, of all places. Geflankeerd door bassist Jimmy Haslip en de intens zwetende drummer Virgil Donati stond hij daar op het podium, een zwijgende magiër met vingers die als een tarantula over zijn gitaarhals vlogen. De toeschouwers konden zijn lyrische virtuositeit slechts ademloos en met open mond waarnemen en stonden een paar uur later perplex op de stoep, ik in ieder geval wel.

SynthAxe

Muziek is gelukkig geen wedstrijd, maar Allan Holdsworth stond eenzaam aan de top in een door hemzelf gecreëerde buitencategorie. Hij was namelijk de uitvinder van een geheel eigen genre, ergens tussen jazz en rock, met herkenbare thema’s, exotische toonladders en veel ruimte voor improvisatie. Uit zijn gitaar wist Holdsworth een wonderschoon en warm geluid te toveren, zelfs op de op het oog steriele elektronische SinthAxe die hij vanaf de jaren tachtig v.d.v.e. bespeelde.

allanholdsworth met synthaxe

Na beluistering van de ceedee-uitgave van zijn tweede album I.O.U. (1985) ging ik indertijd naarstig op zoek naar ’s mans werk, zoals ook zijn briljante bijdragen aan platen van U.K. en de soloalbums van drummer Bill Bruford, Tony Williams en Chad Wackerman. Zelfs de licht-stonede discoplaat Capricorn Princess van Esther Philips schafte ik aan omdat Holdsworth erop aan het werk was als sessiemuzikant. Luister echter liever naar I.O.U., Road Games (1983), Metal Fatigue (1985), Secrets (1989) en de liveplaten met bassist Jimmy Johnson, grotendeels online te vinden. Of koop The Man Who Changed Guitar Forever!, een box met alle twaalf solo-albums die negen dagen voor zijn dood verscheen.

Holdsworth met SynthAxe

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Goud maken voor stadhouder Willem III

king_william_iii_of_england_1650-1702

Onlangs zijn er twee fraaie boeken verschenen over Willem III van Oranje (1650-1702), de stadhouder die tevens koning van Engeland werd. Vergeefs zoeken we hierin naar zijn relatie met de Amsterdamse alchemist mr. Pieter Schenck, bij wie hij de kunst van het goud maken zou hebben geleerd.

Oorlog

Vanwege zijn latere koningschap van Engeland, Schotland en Ierland (vanaf 1689) geniet Willem III internationale faam, die met de publicaties van Bosman, Panhuysen en eerder Troost eindelijk ook goed tot Nederland doordringt. Vanaf 1672 was Willem als stadhouder en legeraanvoerder van de gewesten Oranje Holland, Zeeland en Utrecht verantwoordelijk voor het terugdringen van de Franse troepen die de Republiek der Verenigde Nederlanden bedreigden. In 1674 had hij ambitieuze plannen om samen met Spanje en Oostenrijk het leger van koning Lodewijk XIV ver terug te drijven tot in Frankrijk. Geringe steun van zijn bondgenoten en geldgebrek bemoeilijkten echter een krachtig militair optreden.

Prins op bezoek

De Amsterdamse dokter mr. Pieter Schenck had een oplossing voor de geldzorgen van de stadhouder, zo blijkt uit notariële akten uit 1674 (gepubliceerd in de Kroniek van het Historisch genootschap, 2e jaargang, 2e serie (1854) 34-40, pdf) en in het Nationaal Archief te Den Haag verstopt tussen de Aanwinsten (Eerste Afdeling, inv. nr. 415). Schenck had de aloude alchemistentruc van het goud maken ontdekt en schonk de opbrengsten daarvan aan Willem III, ter subsidiëring van diens oorlogvoering. In totaal had Schenck al dertig ton goud ten bate van de stadhouder aan de Antwerpse Munt gestuurd. Vanzelfsprekend was Oranje in zijn nopjes met de wonderbaarlijke geldstroom: in ruil daarvoor mocht zijn weldoener Schenck zijn vrienden en familie aanbevelen voor hoge baantjes. De prins scheen ook incognito – ‘in boere kleederen’ – bij hem thuis te zijn geweest, waar hij zelf de kunst van het goud maken had geleerd.

alchemist

Dr. Pieter Schenck aan het werk.

‘Die jongen met zijn bult’

Aan de schenkingen kwam een einde toen Pieter Schenck te horen kreeg dat ‘die jongen met zijn bult’, wijzend op de lichte bochel van de stadhouder, het ‘familiegeld’ wilde invoeren. De heffing van deze belasting van 0,5 procent op inkomens en vermogens moest de staatskas op orde brengen, maar leidde tot veel protest onder de belastingplichtige burgerij. Ook dokter Schenck was verbolgen over de belastingplannen. ‘Ick sal hem int toecomende geen geld meer geven’, riep hij verontwaardigd uit tegen een van zijn patiënten.

Pamflet?

De verklaringen over de mysterieuze goudmakerij werden vastgelegd bij de Amsterdamse notaris Michiel Bockx, tevens klerk van de schout. De getuigenissen dienden ongetwijfeld als basis voor een rechtszaak wegens laster, maar daarvan lijkt het niet te zijn gekomen: Schencks naam ontbreekt in de lokale en gewestelijke rechterlijke bronnen en komt evenmin voor in andere archieven of DTB-registers. Afschriften van de akten zijn ook niet terug te vinden in het notarisprotocol van Bockx. Het heeft er alle schijn van dat de stukken deel uitmaakten van een publicitair offensief tegen de invoering van het familiegeld en als geschreven pamflet de ronde deden. En met succes, want de belasting is nooit geheven, onder meer door tegenwerking van Amsterdam.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Alle notariële akten van Amsterdam komen binnen handbereik

berkheyde

Na jarenlang lobbyen is het eindelijk zo ver: de notariële archieven van Amsterdam worden allemaal gedigitaliseerd en ontsloten. Op 29 september 2016 was de aftrap van het monsterproject Alle Amsterdamse Akten met een drukbezocht symposium over deze bijzondere bron.

 

Miskende kunstenaars

Met bijna 3,5 kilometer planklengte en 30.000 inventarisnummers zijn de Amsterdamse notariële archieven (1578-1915), bewaard op het Stadsarchief, de grootste van Nederland. Het belang van de inhoud van de notarisprotocollen (de gezamenlijke akten) is navenant groot, vooral waar het de vroegmoderne periode betreft toen de stad op het hoogtepunt van zijn roem was. De akten hebben veel te bieden aan allerhande historici, sociologen, archeologen, letterkundigen, genealogen en andere geïnteresseerden. De inhoud is buitengewoon divers: van dikke stapels bevrachtingscontracten, testamenten, boedelinventarissen en bloemrijke scheepsverklaringen tot beeldende getuigenverslagen over kleine en grotere criminaliteit, (bastaard)kinderen of beroemde en miskende kunstenaars. Gebruikers moeten er wel rekening mee houden dat akten subjectief zijn: de notaris werd altijd ingeschakeld door een persoon met een bepaald doel voor ogen.

Slordige klerkenhandschriften

Niet alle protocollen zijn indertijd na overlijden of uitdiensttreding van de notaris netjes naar het stadhuis overgebracht, zoals dat sinds 1656 verplicht was. Bovendien zijn bij twee stadhuisbranden, in 1652 en 1762, veel akten verloren gegaan en beschadigd. Toch zijn er meer dan voldoende stukken bewaard gebleven. Onderzoekers uit binnen- en buitenland hebben hun tanden gezet in de eindeloze reeksen oud papier, soms nauwelijks leesbaar door brandschade, slechte verfilming en slordige klerkenhandschriften. Serieus, systematisch onderzoek wordt gedwarsboomd door deze bezwaren maar vooral vanwege het ontbreken van een ‘nadere toegang’, zoals dat in archieftermen heet. Je kunt ze dus niet doorzoeken op persoonsnaam, plaatsnaam of het soort akte.

simon-hart

Dr. Simon Hart (1911-1981), gemeentearchivaris van Amsterdam, vermoedelijk met een ingebonden notarisprotocol op zijn bureau in het toenmalige Gemeentearchief Amsterdam (Amsteldijk 67).

Collectie Hart

De Amsterdamse notariële archieven zijn in de vorige eeuw gedeeltelijk toegankelijk gemaakt door een systeem van duizenden archiefkaartjes: de Collectie Simon Hart (Archiefnr. 30452), genoemd naar de bevlogen archivaris. De vroegste periode – van 1578 tot 1630 – is redelijk uitgebreid geïnventariseerd en voor de periode 1701-1710 zijn zelfs alle registers ontsloten, hoewel die kaartjes niet op persoonsnaam zijn geïndiceerd. Voor de overige periode is minder dan 1 procent van het gehele archief toegankelijk via het genoemde kaartenbaksysteem. Bovendien gaat het daarbij alleen om eigen interesses van Hart en die van zijn ‘klanten’ bij het archief, zoals de walvisvaart, handel op Noord-Amerika en de WIC. Onderzoekers die de kaartenbak van Hart dus als uitgangspunt nemen voor hun studie, hebben slechts een topje van de ijsberg te pakken.

minuutakte-simon-van-sevenhoven-1686

Voorbeeld minuutakte van Simon van Sevenhoven, 1686.

Alle Amsterdamse Akten

Vanaf 2011 hebben Wilma Gijsbers, Kees Zandvliet en ik als ware Cato’s gepleit voor een nadere toegang op deze wonderbron. Dankzij ruimhartige subsidieverstrekkers als het Mondriaan Fonds en inzet van het Stadsarchief kan er nu eindelijk worden begonnen met het scannen en toegankelijk maken van alle notariële akten, van 1578 tot 1915. Het scannen zal gebeuren met de duizelingwekkende snelheid van 15.000 akten per dag; de basale indicering van de akten via het platform Velehanden.nl zal meer voeten in de aarde hebben. Hoe meer mensen zich aanmelden om de akten te ontsluiten, hoe sneller ook dit zal gaan. Meer informatie is te vinden op Alle Amsterdamse Akten.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Kleine man uit Neurenberg danst de horlepiep

Reclameprent van Buchinger

Reclameprent van Buchinger

Matthias Buchinger (1674-1739) uit Ansbach was al legendarisch bij het leven. Geboren met extreem korte ledematen, wist hij zichzelf allerlei kunsten aan te leren, waarvan vooral zijn prachtige miniaturen, kalligrafieën, typografische trompe-l’oeils en vingervlugge kaarttrucs in het oog springen. In heel Europa reisde hij kermissen, jaarmarkten en salons af, onderwijl een omvangrijk nageslacht voortbrengend bij vier verschillende vrouwen. Maar Buchinger kon veel meer, zo blijkt nu uit een tentoonstelling in het Metropolitan in New York en een oogstrelende publicatie van Buchinger-verzamelaar Ricky Jay, tevens bekend als goochelaar en acteur.

 

Onlangs verscheen het langverwachte boek van Jay over ‘de kleine man uit Neurenberg’, tegelijk met een tentoonstelling in het Metropolian Museum of Art in New York (‘Wordplay’, van 5-1 tot 11-4-2017). In de mooi vormgegeven kleurenpublicatie, rijk geïllustreerd en deels met gestanste bladzijden, beschrijft Jay eloquent en met humor zijn zoektocht naar achtergronden en werk van Buchinger. Zijn eerste aankoop van een originele Buchinger – de Tien Geboden (Bath, 1717) – kocht hij van goochelhistoricus Milbourne Christopher (1914-1984). Hij ging er bijna aan failliet en de obsessie was nog maar net begonnen. Het boek en de tentoonstelling geven een compleet beeld van leven en werk van Buchinger, maar over zijn ‘Nederlandse jaren’ is nog enige onduidelijkheid.

Reclameprent Buchinger 1710Zwangere vrouwen opgepast

Matthias Buchinger was een nakomertje: als laatste van negen kinderen werd hij in 1674 geboren in Ansbach, de kreisfreie stad in Beieren waar veel later ook de mysterieuze vondeling Kaspar Hauser terechtkwam. Matthias was ‘sonder handen en voeten’ geboren, waardoor hij niet langer dan 74 centimeter hoog was, maar met zijn stompjes leerde hij een geweer te laden en af te schieten, kaarten te schudden en een draad door een naald te duwen. Met zulke kunsten trok de ‘dwerg uit Neurenberg’ langs podia en herbergen, in de Duitse steden en tot ver over de grenzen. Vooraf diende hij telkens, net als andere kermisklanten, toestemming te vragen aan het stadsbestuur. In 1708 wilde de raad van Neurenberg Buchinger niet laten optreden op het publieke marktplein, vanwege zijn fysieke verschijning. Zwangere vrouwen zouden van schrik weleens een vroeggeboorte kunnen krijgen. Noodgedwongen week hij uit naar een van de Neurenbergse herbergen.

Reclameprent

In 1701 was Matthias Buchinger in Kopenhagen, waar hij voor de eerste keer trouwde. Zijn bruid, een meisje uit Holstein, overleed in Rotterdam (28-6-1703), hoogstwaarschijnlijk tijdens een tournee door de Republiek der Verenigde Nederlanden. In 1705 was de kleine man namelijk met zekerheid in Amsterdam; in oktober van dat jaar ondertekende hij immers verschillende reclameprenten met zijn eigen beeltenis erop. Net als bij andere prenten van circusartiesten, zoals de Indische olifant van Bartel Verhagen, toonde de prent de voornaamste attributen uit zijn voorstelling, zoals een geweer, een penseel met inktpot waarmee hij zijn miniaturen maakte en in spiegelbeeld schreef, dobbelstenen en een hakkebord (citer) waarop hij musiceerde. De toen 31-jarige Buchinger zag er gesoigneerd uit, met zijn snorretje, zijn nette maatpak met tressen en een driepunthoed op het hoofd. Zijn beenstompjes rustten op een fraai gestikt kussen.

De mijn in de fles.

De mijn in de fles.

Dansen in een kilt

Uit een latere reclameprent (Regensburg, 1710) weten we dat Matthias Buchinger nog meer in zijn mars had. Met zijn korte armpjes kon hij op spectaculaire wijze kegelen, kaarttrucs, balletje-balletje, zichzelf scheren en houten objecten knutselen in een fles. Van die laatste vaardigheid, vergelijkbaar met het befaamde scheepje-in-de-fles, is een bijzonder exemplaar overgebleven, in het rariteitenkabinet van het landhuis Snowshill in de Engelse Cotswolds. De fles is verdeeld in twee etages: beneden graven mijnwerkers naar kolen, terwijl boven een ingenieus in elkaar geknutseld tandwiel ertsen omhoog takelt en een mannetje met een bijl een paal bewerkt. In later jaren droeg Buchinger tijdens zijn optredens een Schotse kilt, waarin hij de horlepiep danste met zijn korte beentjes. Behalve op het hakkebord bespeelde hij ook de fluit, hobo, trompet en een gitaar. Ooggetuigen schreven nergens of hij ook enig muzikaal talent bezat, al begrepen ze uitstekend dat het musiceren zonder vingers een flinke prestatie was.

Buchinger in album amicorum van Chevalier, 1704 (KB).

Buchinger in album amicorum van Chevalier, 1704 (KB).

Kalenderbladen

In Amsterdam zal Matthias Buchinger in 1705 ook op de septemberkermis hebben opgetreden, al heb ik hiervoor nog geen bewijs kunnen vinden. Vermoedelijk ontmoette hij in deze stad ook Nicolaas Chevalier (1661-1720), een boekhandelaar en kunstverzamelaar uit Sédan. In juli 1704 tekende hij in diens vriendenboek een pagina uit een almanak in een merkwaardig trompe-l’oeil. De vermelding van de jaarmarkten van Breda, Haarlem en Giessen(dam?) hierop kan een aanwijzing zijn dat hij daar had opgetreden. Er zijn tenminste drie andere kalenderbladen van Buchinger bekend, zodat we wel van een genre kunnen spreken. Hopelijk komt er dankzij de publicatie van Ricky Jay meer aandacht voor de ‘kleine man’, en zullen we uit nieuw archiefonderzoek meer leren over zijn verblijf in Holland.

Ricky Jay, Matthias Buchinger: The Greatest German Living (Hong Kong/New York 2016).

 

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , | 1 reactie

Wielrijdersleger terug in de Isabellakazerne

Defilé van de wielrijders in 1938.

Defilé van de wielrijders in 1938.

De twee roemruchte regimenten wielrijders speelden een rol bij de verdediging van Nederland tegen de Duitsers in de meidagen van 1940. Ter herinnering aan de daarbij omgekomen soldaten en aan de geschiedenis van het fietsende legeronderdeel kwam er in de jaren tachtig een museum en een monument in de Isabellakazerne in Vught. Sinds kort zijn deze weer toegankelijk.

Oude karabijnen

Van 1888 tot 1946 kende Nederland een wielrijdersleger. Dit was onderdeel van de Lichte Divisie en bestond uit twee regimenten. De militaire wielrijders konden zich relatief snel verplaatsen waardoor ze geschikt waren voor verkenningsopdrachten, maar ze ook strijd leveren. Op tien mei 1940 kregen zij opdracht samen met het Korps Rijdende Artillerie richting Alblasserdam te gaan. Een bataljon wielrijders maakte zich daar los om naar Dordrecht te fietsen. Op het Eiland van Dordt en in de Alblasserwaard leverden zij strijd met Duitse luchtlandingstroepen. De krijg was ongelijk: de Duitsers schoten met mitrailleurs, terwijl de wielrijders zich moesten behelpen met karabijnen uit 1894 en fietsen zonder remmen. Circa 77 wielrijders lieten daarbij het leven. Na de oorlog zijn de wielrijdersregimenten niet heropgericht.

WielrijdersHerdenken

Ruim 22 jaar geleden schreef ik een scriptie en artikel over de herdenkingen door oud-militaire wielrijders. In 1994 bezocht de Isabellakazerne in Vught, waar de veteranen sinds het eind van de jaren tachtig hun herdenkingsmonument hadden staan. Dit initiatief van de Stichting Militaire Wielrijders moest een waardige herinnering zijn ‘aan hen die in de meidagen van 1940 in de Alblasserwaard en in Dordrecht hun leven gaven voor het vaderland in een strijd tegen een oppermachtig niets ontziende vijand’. De oud-wielrijders en nabestaanden van de gesneuvelden droegen zelf bij aan de totstandkoming van het monument, dat vanzelfsprekend bij de Isabellakazerne zou komen te staan: daar waren de twee Wielrijdersregimenten van het garnizoen Den Bosch tussen 1922 en 1940 immers gelegerd.

Het monument der Wielrijders

Het monument der Wielrijders

De ex-wielrijders en nabestaanden brachten een aardig bedrag op, maar het was onvoldoende voor een monument uit natuursteen. Het materiaal werd kunststof met bronzen letters erop. Het ontwerp van de gedenkplaat, gemaakt door een oud-wielrijder, bestond uit drie onderpanelen met een logo van zes wielrijders op hun stalen ros. Het middelste paneel toonde de tekst ‘snel en vaardig, kalm en waardig’: de spreuk van de regimenten. Op de twee bovenpanelen aan de buitenkant kwamen de namen van de gevallenen en hun onderdeel te staan. Na de onthulling van de gedenkplaat, in 1988, werd de Last Post geblazen en een minuut stilte gehouden. Na het Wilhelmus, een kranslegging en een defilé was er ‘stemmige muziek’.  Bij de plechtigheden waren ruim tweehonderd ex-wielrijders aanwezig: de jongste was zeventig jaar, de oudste 92.

Rijdend muziekkorps

Op de eerste reünie van de wielrijders, in 1972, kwamen nog vijftienhonderd veteranen opdagen. Hoogtepunt van de bijeenkomst toen was een optreden van het legendarische Wielrijdersmuziekkorps. Deze trots van het Wielrijdersleger was voor de gelegenheid aangevuld met huzaren van het Depot Cavalerie uit Amersfoort. Het rijdende muziekkorps – uniek in de wereld  – gaf ook voor de inwoners van Den Bosch een demonstratie en hield een optocht door de stad. In 1972 werd ook begonnen met het museum in de Isabellakazerne. Dit bestond uit fietsen, wapens, uniformen en veel foto’s en gaf een overzicht van de gehele geschiedenis van militaire wielrijders in Nederland.

Het muziekkorps bij de eerste herdenking in 1972.

Het muziekkorps bij de eerste herdenking in 1972.

Tijdens mijn bezoek in 1994 verkeerde het museum in deplorabele staat. In mijn scriptie zocht ik uit hoe dat kwam. Twee jaar eerder had Defensie besloten de Isabellakazerne af te stoten. De stichting maakte zich zorgen over wat er met hun museum en het monument moest gebeuren en waar hun veteranenbijeenkomsten gehouden moesten worden. Van het ministerie was er geen steun meer te verwachten: dat beweerde geen geld meer te hebben. De gemeente Den Bosch stelde prijs op de aanwezigheid van de wielrijders, maar was niet van plan hun herinneringsplaats financieel te steunen. Uiteindelijk verhuisde het museum naar de zolder van het hoofdgebouw van de kazerne en mocht het monument blijven staan. De rest van het terrein deed dienst als asielzoekerscentrum.

Terug in Vught

De laatste reünie van de wielrijders werd gehouden in juni 1993. Ruim tweehonderd personen waren present, onder wie de burgemeesters van Den Bosch en het nabijgelegen Vught. In NRC Handelsblad uitte een veteraan zijn onvrede over de van hogerhand gekomen slechte militaire leiding tijdens de Tweede  Wereldoorlog. De oud-sergeant meende dat het met een ander aanvalsplan wel degelijk mogelijk was geweest de Duitsers een zware slag toe te brengen. Ook gaf hij toenmalig minister-president Colijn een veeg uit de pan omdat die niet meer geld aan defensie had besteed. De voorzitter betreurde het dat de traditie van de militaire wielrijders niet was doorgegeven aan een ander legeronderdeel, zoals wel gebeurde bij andere oude krijgsonderdelen. Dat doet ‘onrecht aan mensen die hun best hebben gedaan. Die makkers zijn in de steek gelaten’ (Bert van der Kruk, ‘Geheim wapen in de strijd’, Vogelvrije fietser 18, nr. 4 (1993) 26-27). Zoals te verwachten, maakten al hun woorden niets uit: de overheid liet de wielrijders in de kou staan.

Twee wielrijderspoppen in het museum.

Twee wielrijderspoppen in het museum.

De collectie van de wielrijders verhuisde naar het Infanteriemuseum op de Harskamp. Daar heb ik deze nog eenmaal bekeken. Ik herinner me vooral het gewicht van het negentiende-eeuws schietgeweer dat ik aan mijn schouder mocht leggen. Vanaf mei vorig jaar is de collectie eindelijk teruggebracht naar het hoofdgebouw van de Isabellakazerne waar deze weer publiekelijk toegankelijk is – het Vughts Museum is nu eigenaar van de memorabilia. De rest van het complex is tijdelijk in gebruik door studenten, bedrijven en horeca, in afwachting van een definitieve herbestemming. Ook het monument voor de gevallen Wielrijders is hersteld. Onder voorzitterschap van Wim Kievits wil de stichting de kazerne verder ontwikkelen tot een cultuurhistorisch en toeristisch centrum. De eerste militaire erewacht bij het monument heeft alweer plaatsgevonden.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Van kattendompteur tot nachtwaker

Over de eigenzinoriginal_prof_eduard_bonnetty127820_2nigheid van katten zijn al boekenkasten volgeschreven. Minder bekend is dat zij wel degelijk gedresseerd kunnen worden, zo bewees de kattendompteur ‘professor Bonnetty’ aan het eind van de negentiende eeuw.

Bonnetty’s gedresseerde ‘wonderkatten’ konden koorddansen, door brandende hoepels springen en – geheel tegen hun natuurlijke instincten – vreedzaam spelen met dikke ratten, muizen en kanaries. De kattendompteur was door heel Europa populair: hij trad op voor de Spaanse kleuterkoning Alfonso XIII en in de harem van de sultan in Constantinopel (nu: Istanboel) mochten de vrouwen het schouwspel bekijken door spleetjes in de wanden. Na 1900 verdween de dierenprofessor uit zicht, maar dankzij nijver speurwerk van Jessica Voeten in Ons Amsterdam  is Bonnetty nu aan de vergetelheid onttrokken.

Denkend aan marmotten…

Achter ‘Professor Bonnetty’ gingen twee broers schuil, met wortels in het Brabantse Zundert. Deze Joseph en Johannes Passtoors waren de kleinzoons van een paardenpostmeester onder koning Lodewijk Napoleon. Diens zoon was in 1877 verhuisd naar Amsterdam, waar de broers opgroeiden. Een van beide broers leerde het dresseren van dieren op de zolder van een manufacturenhandel op de Nieuwendijk, waar hij eigenlijk was aangenomen om stukken lint te verkopen. Omdat hij tijdens het werken meer dacht aan zijn marmotten en duiven, werd hij ontslagen. Tegen de zin van zijn ouders ging hij nu fulltime dieren dresseren.

Miniatuurhondjes

In een vieze houten loods buiten de Raampoort verdiende broer Joseph officieel zijn geld als ‘koopman in honden’, onder pseudoniem ‘J. Bonnetty’. Behalve voor het scheren, couperen en castreren van honden kon je ook bij hem terecht om ze te laten africhten. Daarnaast trad hij op met zijn gedresseerde ‘miniatuurhondjes’. Een van de nummers was ‘de hond die pianospeelt en walst’. In het pakhuis bij de Raampoort liepen zoveel ratten en muizen rond, dat hij die integreerde in zijn dressuurshow. Hij liet een groep katten wennen aan een nest van acht jonge ratten, totdat ze de instinctieve afkeer kwijt waren. Het kostte hem een jaar extra training, maar het werd wel een topact. In 1887 trad hij of zijn broer als ‘Professeur Eduard Bonnetty’ avond aan avond met zijn ‘chats savants’ op in het Cirque d’Hiver te Parijs. De kattendompteur veroverde ook Wenen en Londen en eind 1891 maakte hij een tournee in zijn geboorteland.

Samen met zijn broer reisde Joseph ook door Rusland, op zoek naar jonge vossen. Thuis in zijn Amsterdamse loods dresseerde hij ze voor een act met kippen en een worstelwedstrijd met honden, waarbij de dierentemmer zelf stijlvol gekleed ging in een Engelse rode jachtrok met hoge hoed. In 1896 voer broer Johannes met zijn menagerie van vossen, honden, katten, ratten, eenden, duiven en kaketoes per stoomschip naar New York, waar hij de bewoners van de nieuwe wereld versteld deed staan.

‘Koning der katten’

Na de reis naar Amerika eindigde de samenwerking als ‘professor Bonnetty’ in 1900. Joseph deed nog weleens een ‘ouderwetse kindervoorstelling’, zoals in 1908 tijdens de Bossche Kermis, maar voor zijn inkomen was hij afhankelijk geworden van een baantje als nachtwaker bij de parfumfabriek Boldoot. In maart 1942 overleed hij, in een rusthuis in Beverwijk. Zijn broer was elf jaar eerder al gestorven. Bonnetty was de eerste die als lastig tembare beesten bekendstaande katten aan zich wist te onderwerpen. Als zijn opvolger in de kattendressuur noemde het Haarlem’s Dagblad (14-6-1902) onder anderen Leon Clarke, die zelfs de bijnaam ‘Koning der Katten’ verwierf. Hij schijnt ook een kattenboek te hebben geschreven, als vroege voorloper van R. Kousbroek en M. Dekkers. Graag zien we hem terug in een volgend artikel.

Jessica Voeten, ‘Professor Bonnetty en zijn knappe katten’, Ons Amsterdam 68 (2016) 8-11.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Amsterdam voor Dummies en Duiten

DuitenboekIn het kader van de schaamteloze zelfpromotie: zowel de Engelse vertaling van mijn Kleine geschiedenis van Amsterdam voor Dummies als de langverwachte herdruk van de ‘tijdreisgids’ Amsterdam voor vijf duiten per dag zijn tegen neerslachtige prijzen te koop bij de betere boekwinkel en online!The-Little-History-of-Amsterdam-for-Dummies_117x165

The little history of Amsterdam for Dummies (Amersfoort 2015), in natuurgetrouwe vertaling van Benjamin Roberts, is al te krijgen voor 9,95 euro, terwijl Amsterdam voor vijf duiten per dag (Amsterdam 2015), dat ik schreef met Emma Los, in charmante paperbackeditie slechts 15 euro moet kosten. Beide boeken staan garant voor urenlang leesplezier.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen