Eeuwenoude horecalocatie verdwijnt

IMG_20180524_092139435_HDR

Voormalig café Kadoelen op 23 mei 2018, foto auteur.

Na bijna vier eeuwen zal het drankhuis aan de Landsmeerderdijk (nr. 195) in Amsterdam-Noord mogelijk verdwijnen. Het huidige Café Kadoelen stond in de zeventiende eeuw bekend als schippersherberg de Groene Ridder.

Groene Ridder

Vanaf de eerste helft van de zeventiende eeuw was de herberg gevestigd in de oude buurtschap Kadoelen. Uitbater was de afgezwaaide zeeman Jan Claasz Backer (1588-?) uit Oostzaan. Net als veel buurtgenoten was hij eerst transportschipper: met zijn vaartuig de ‘Groene Ridder’ haalde hij koren uit de Oostzeehavens. Vóór 1631 kocht hij een herberg aan het Landsmeerderpad in Kadoelen. In dat jaar maakte een notaris een akte op in zijn gelagkamer, over de droogmaking van de naastgelegen Wilmkebreek. Ook de heemraden kwamen er bijeen om dijkproblemen te bespreken. In 1645, toen ‘Jan Claasz Groene Ridder’, zoals hij werd genoemd, bijna vijftig jaar oud was, moest hij zijn herberg gedwongen verkopen.

Kadoelen rond 1680

Kaart van het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen met links buurtschap Kadoelen, Jan Jansz Dou, 1680.

Veilingen en kolfbaan

De locatie, dichtbij het veer naar Amsterdam, was gunstig en de omwonende schippers van Kadoelen frequenteerden de zaak, dus ook onder nieuwe eigenaars bleef er een drankhuis gevestigd. Incidenteel waren er in de achttiende eeuw ook vastgoedveilingen en er was een kolfbaan aangelegd, zo blijkt uit annonces in de Amsterdamse courant (12-4-1759; 23-8-1759). In 1868 was de herberg, inmiddels omgedoopt tot koffiehuis Y en Stadzicht, eigendom van Jan Jansse Kat, tapper en schipper van het veer te Kadoelen. De veerdienst van Landsmeer naar Amsterdam – nu via Zijkanaal I en het IJ – werd gemotoriseerd (Stoombootmaatschappij Wagner en Kat). Kat raakte echter in de financiële problemen en moest het pand veilen (aankondiging in Algemeen Handelsblad, 24-8-1868), waardoor het voor een schamele zevenhonderd gulden van de hand ging.

Café Cadoelen SAA BMAB00039000005_016

Café Koffiehuis Kadoelen. Stadsarchief Amsterdam.

Gokkende buschauffeurs

Een jaar later – in 1869 – werd het huidige pand gebouwd, waarin de familie Van Noord een koffiehuis uitbaatte. In 1916 had dit zwaar te lijden onder de watersnoodramp: de achterkant en zijkant van het pand waren door het water geheel vernield en meubels, het biljart en ‘een kostbaar muziekinstrument’ dreven doelloos rond (Nieuwsblad van het Noorden, 18-02-1916)

In 1933 ging café Kadoelen van de uitbaters Jan van Noord en Betje Been over naar Jaap Brandjes en Aaltje van Noord-Fraay, beter bekend als ‘Moeder Aaltje’. Kort daarop werd het stoombootveer voorbijgestreefd door een autobusdienst naar Amsterdam. In 1953 kreeg barkeeper Brandjes een volledige vergunning, zodat hij ook alcoholische dranken mocht verkopen om mee te nemen. Een meerderheid van zijn inkomsten kwamen uit die slijterij, waarop vooral klanten uit de directe omgeving afkwamen. Het cafégedeelte trok reizigers en mensen die op de ENHABO-bus wachtten: de halte was immers voor de deur. Ook de buschauffeurs kwamen er na gedane zaken een pintje pakken en hun kleingeld in de gokautomaat verspelen (Algemeen Handelsblad, 27-6-1959).

IMG_20180524_092155933_HDR

Voormalig café Kadoelen op 23 mei 2018, foto auteur.

Faillissementen en broodjes bal

In 1965 hield het echtpaar Brandjes ermee op. Twee jaar later kwam het café aan de Landsmeerderdijk in de gemeente Amsterdam te liggen, vanwege een grenswijziging. Het pand bleef in gebruik als café en koffiehuis Kadoelen, maar verschillende uitbaters failleerden (1989, 2005). Tot een jaar geleden was er nog een drankje en een broodje bal te krijgen. De terrasstoelen vóór het café boden een aangenaam zicht over de dijk, al reed het rondrazend verkeer zo ’n beetje over je tenen heen. De huidige eigenaar sloot de tent, die ernstige tekenen van verval begon te vertonen en nooit is aangemeld als horecamonument. Vorige week hoorde ik het trieste bericht dat het legendarische drankhuis – onafgebroken in gebruik vanaf 1631 – zal worden gesloopt en vervangen door woningbouw.

UPDATE: Stadsdeel Noord ontkent plannen voor sloop of nieuwbouw, maar vertelt niet wat er dan wel met voormalig Café Kadoelen zal gebeuren (site van het Parool). Volgens woordvoerster Anouk Panman van Stadsdeel Noord is er geen sloop- of bouwvergunning afgegeven. Intussen loopt er ook een verzoek tot aanwijzing gemeentelijk monument voor het oude cafépand.

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Achter het dagboek

Anne FrankDe Anne Frank Stichting, het Huygens ING en het NIOD verschenen trots in de nieuwsbulletins met hun ‘onthulling’ van een opzettelijk dichtgeplakte pagina uit het dagboek van Anne Frank (foto). Deze abjecte vertoning, onder het mom van wetenschappelijkheid, gaat ten koste van de schaarse privacy van een dertienjarig meisje dat zichzelf niet meer kan verdedigen.

Vertrouwen geschonden

Volgens de directeur van de Anne Frank Stichting brengen de flauwe moppen en zielenroerselen over seksualiteit ‘ons nog dichter bij het meisje en de schrijfster Anne Frank’. Het zou van groot publiek én wetenschappelijk belang zijn dat wij dit nu, zeventig jaar na dato, allemaal te lezen krijgen. De directeur van het NIOD, het voormalige Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, vond de passage persoonlijk wel om te lachen. De directeur van het Huygens ING, een instelling die in betere tijden erudiete bronnenpublicaties uitbracht, meent des- of ongevraagd dat Frank alles aan haar dagboek kon ‘toevertrouwen’.

‘Liefhebben als onszelf’

Welk recht hebben wij om Franks vertrouwen te schenden? En wat voegen deze  bewust verborgen intimiteiten toe toe aan het beeld van Anne Frank, zoals we dat al kennen uit haar wereldberoemde egodocument? Het antwoord laat zich raden. IJdelheid en misplaatste daadkracht wegen hier kennelijk zwaarder dan de pubergeheimen. In de woorden van A.Th. van Deursen: ‘We richten ons op onze medemensen, die we naar het evangelisch gebod zullen liefhebben als onszelf. Ik zeg niet dat we het verleden moeten liefhebben; maar wel de mensen die in dat verleden hebben geleefd. Ze zijn onze naasten, en blijven dat ook als ze gestorven zijn’. Met dode mensen ga je net zo om als met levende mensen en van hun dichtgeplakte dagboekpagina’s blijf je af.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Schimmel zonder Fortuin

Kattengat op Berckenrode

Het Fortuintje op de plattegrond van Berckenrode, 1625.

Het Fortuintje in het Kattengat was een van de  eenvoudigere herbergen van zeventiende-eeuws Amsterdam. Uitbater Schimmel heeft er geen dynamische bedrijfsvoering gehouden: hij eindigde zonder meubels en met een huurschuld. Onder zijn bewind legde ook vermaaksherberg de Rode Doolhof het loodje. Schimmels wat mistroostige tapperscarrière biedt inzicht in de hygiënische aspecten van het herbergbedrijf en het vastgoedbezit van Roemer Visscher.

 

 

Huisje van Roemer Visscher

In of vóór 1641 vestigde Thonis/Teunis Jansz Schimmel (ca. 1614-1668) zich in Amsterdam. Hij was geboren in Leusbroek, een dorp ten zuiden van Amersfoort. Als huistimmerman in de grote stad verdiende hij voldoende om drie huizen te kopen, met een totale waarde van 14.800 gulden (transportakten 11/20-5 en 8-6-1645). In 1646 werd hij mede-eigenaar van het Fortuin, een huis aan het Kattengat. Dit was indertijd een smal grachtje tussen de Stromarkt en de huidige Spuistraat. Aan de zuidzijde liep Schimmels pand door tot het ‘huisje van wylen Roemer Visscher’, aan de Stromarkt (Singel). De vermelding van de bekende letterkundige (1547-1620) in een verkoopakte uit 1646 wekt enige verbazing. Visschers eigen woning – de Korendrager en na zijn dood ook wel het ‘Saligh Roemers Huys’ genoemd – stond immers aan de Geldersekade (ter hoogte van de huidige nummers 14 en 16). Het huisje aan de Stromarkt had hij in 1611 al verkocht, maar in de stedelijke administratie leefde het voort als zijn bezit.

 

sinnepoppen001
Titelpagina Roemer Visschers Sinnepoppen, 1614.

 

Thonis Schimmel woonde zelf in het huis aan het Kattengat. Hij hield er ook herberg: het Fortuintje. In de kermismaand (september) van 1645 hadden een wijnkoper en een man uit Hoorn een vrolijke avond in een van zijn herbergkamertjes. Van de genoten dranken moesten zij stevig wateren. Dat gebeurde op de kamer in een tinnen waterpot, ‘die sij wanneer die vol was ende de gelegentheyt vereyschte, int steechje ofte gange neffens deselve camer uijtgooten’ (SAA, Archief 5075, inv.nr. 1620, p. 145, notaris J. de Graeff, attestatie 30-11-1645). Eventuele voorbijgangers in het steegje plukten de wrange vruchten van deze nonchalante manier van doorspoelen.

Rode Doolhof

Herbergier Schimmel bleef altijd ongehuwd. Zakelijk gezien was dat onverstandig. Succesvolle herbergen werden immers geleid door dynamische kasteleinsechtparen, terwijl vrijgezelle uitbaters het zelden lang volhielden. Financieel ging het Schimmel dan ook niet voor de wind. In 1647 moest hij een van zijn huizen verkopen en een jaar later verloor hij zijn aandeel in het Fortuintje. Voortaan moest hij zijn herberg annex woonhuis huren, waardoor hij algauw een aanzienlijke betalingsachterstand had opgelopen.

uitsnede Kaart Janssonius 1657 010001000820

Omgeving van de Rode Doolhof op plattegrond Janssonius, 1657.

In 1662 verhuisde Schimmel naar de Rode Doolhof, een vermaaksherberg buiten de Regulierspoort, ongeveer op de plaats waar nu het Thorbeckeplein en de Herengracht samenkomen. Evenmin als het Fortuintje was dit een voorname herberg. Wel bood de ligging bij de stadspoort mogelijkheden voor opvang van gestrande reizigers en transportpersoneel, voor wier paarden en koetsen er voldoende ruimte was in stallen en weiden. Daarnaast kwamen er agrariërs van de nabijgelegen veemarkt op het Reguliersplein (nu: Rembrandtplein). Als extra attractie was er een pleziertuin met beweegbare en geluid makende beelden, zoals allerhande dieren, een cupidootje en een vrouw met ontblote borsten. Die attracties waren het werk van eigenaar Jan Ellegoot (ca. 1600-1654), een geboren Leidenaar die was overgegaan tot het Jodendom en handelde in bier en tabak. Ellegoot liet ook een biljart plaatsen en liet de uitbaters betalen voor het slijten van het laken. Zijn achterkleinzoon was Jacob Ellegoot Osorio, met wie ik hem in mijn boek (p. 227) per abuis heb verwisseld.

Eén fles wijn

Met Schimmel als uitbater van de Rode Doolhof trok deze herberg nauwelijks nog publiek. Hierdoor was hij niet in staat zijn oude huurschuld (600 gulden) te voldoen. Verkoop van de versleten inboedel van het Fortuintje had slechts 477 gulden opgeleverd, dankzij topstukken zoals schilderijen van konijnen en van ossen achter een ploeg. In november 1662 kreeg Schimmel in zijn nieuwe herberg de Rode Doolhof bezoek van de impostmeester, die zijn drankvoorraad kwam peilen om hem accijnsbelasting te kunnen opleggen. Schimmel had slechts twee kannen en één fles wijn in huis, dus er viel weinig te halen. Ook bij zijn nieuwe huisbaas liep hij een huurachterstand op. In 1665 moest de Rode Doolhof, inclusief tuinen en attracties, wijken voor de nieuwe stadsuitbreiding.

Thonis Schimmel bleef wonen in de buurt van de ossenmarkt (Rembrandtplein). Begin 1668 overleed hij thuis, op de hoek van de Wagenstraat en de Amstelstraat, eenzaam en berooid.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Bredero’s herbergbezoek

bredero_1Hell afb 1

Ruwweg vierhonderd jaar geleden overleed Gerbrand Adriaensz Bredero (1585-1618), na – maar niet per se ten gevolge van – een ongelukkige tocht over het ijs. Ter gelegenheid van dit jubileumjaar schreef ik een beschouwing over het kroegbezoek van deze toneelschrijver, met casestudies over twee doelenkasteleins. Mijn blog is gratis te lezen op de site van de Stichting Herdenking Bredero.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Boekpresentatie Amsterdamse herberg

omslag2.jpgZaterdag 25 november 2017 is de boekpresentatie van de handelsuitgave van mijn proefschrift De Amsterdamse herberg (1450-1800), vanaf 16.45 uur in Boekhandel Scheltema (Rokin 9, Amsterdam). Na korte lezingen met lichtbeelden door kunst-  en architectuurhistoricus Gerrit Vermeer en mijzelf zal ik het eerste exemplaar ceremonieel overhandigen aan Midas Dekkers, bekend bioloog, kasteleinskind en ijverig pleitbezorger van het bruine café. De toegang is gratis, maar graag aanmelden via de website van Uitgeverij Vantilt.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Vanaf vrijdag 3 november verkrijgbaar:

Omslag2

Afbeelding | Geplaatst op door | Een reactie plaatsen

Bepruikte burgervader met ‘platten toon’

De Vrij Temminck door Wandelaar BB010055000366De achttiende-eeuwse burgemeester Egbert de Vrij Temminck (1700-1785) zou uitzonderlijk populair zijn geweest bij het gewone volk van Amsterdam, vanwege de ‘familiaren en zelfs platten toon dien hij in zijn omgang met den minderen man wist aan te slaan’. Maar hoe dicht bij het volk stond deze regent in werkelijkheid?

Magnificat

In de achttiende eeuw had Amsterdam niet één maar vier burgemeesters, van wie er ieder kwartaal eentje ‘president’ (voorzitter) mocht zijn. Evenmin als tegenwoordig was de burgemeestersverkiezing een democratisch proces: jaarlijks bekonkelde een groepje (oud)burgemeesters en schepenen (rechters) wie tot dit hoogste ambt van de stadsregering zouden worden toegelaten. Sommige burgemeesters hadden het langere tijd achtereen voor het zeggen in Amsterdam: zij hadden het ‘magnificat’. De oppermachtige Egbert de Vrij Temminck – 23 maal gekozen tot burgemeester tussen 1748 en 1784 – stond bekend als een machtige burgemeester. Daarnaast zou hij populariteit genieten bij ‘de burgerij’. En dat in een tijd waarin de afstand tussen regenten en burgers groot was. Toen in 1791 de zingende zusjes Nina en Susette d’Aubigny von Engelbrunner in Amsterdam een huisconcert gaven, wekte het bijvoorbeeld verbazing dat een burgemeester hen muzikaal begeleidde. De regenten zouden ‘gewoonlijk te trots zijn om in dezelfde kring te verkeren als gewone mensen’ (Metzelaar ed., ‘Niet zo erg Hollands’. Dagboek van een reis naar Nederland (1790-1791) (Hilversum 2001) p. 103).

Jonge De Vrij TEmminck BB 010097009271

Egbert de Vrij Temminck (1700-1785) was een ‘voltijds regent’. Afkomstig uit een koopliedengeslacht was hij in het stadsbestuur opgeklommen tot schepen, bewindhebber van de beide handelscompagnieën en raad in het admiraliteitscollege. Dankzij de wetsverzetting (regeringsverandering) door stadhouder Willem IV (1748) werd De Vrij Temminck voor het eerst burgemeester, al toonde hij zich weinig dankbaar. In 1752 sloot hij zich met andere Amsterdamse regenten aan bij de ‘correspondentie’, gericht tegen inmenging van het stadhouderlijk hof in de lokale politiek. Privé ging het De Vrij Temminck niet voor de wind. In 1750 was zijn vrouw, zijn eigen nicht Margaretha Temminck, kinderloos overleden en daarna leefde hij alleen. Financieel had hij weinig te klagen, met (in 1742) een geschat jaarinkomen van zesduizend gulden (dat ongetwijfeld veel hoger lag), een duur pand aan de Herengracht (nu: nr. 194) en een buitenplaats in de Haarlemmerhout. Zijn nalatenschap zou, in 1785, bijna 290.000 gulden bedragen.

Amsterdam first

Samen met de eerste pensionaris Van Berckel gaf De Vrij Temminck vorm aan het Amsterdamse politieke beleid, dat kan worden samengevat met het motto Amsterdam first. Regenten lieten zich – tot grote woede van de Britten – in met de risicovolle smokkelhandel in contrabande goederen en wapentuig, eerst met Frankrijk (tijdens de Zevenjarige Oorlog met Engeland), en vanaf 1774 met de opstandige gewesten in Noord-Amerika. Zoals gezegd was De Vrij Temminck zelf geen koopman, maar zijn familie dreef handel op Frankrijk en de west. In 1778 gaf hij als belangrijkste burgemeester opdracht aan pensionaris Van Berckel om een geheim handelsverdrag te bespreken met een vertegenwoordiger van het Amerikaanse congres. Het conceptverdrag zou in werking treden zodra Engeland de Verenigde Staten had erkend. In 1780 viel een kopie hiervan echter in Britse handen van de Engelsen, die daarin aanleiding zagen om de Republiek de oorlog te verklaren.

Volgens Elias, de grote kenner van het Amsterdamse regentenpatriciaat, had De Vrij Temminck zijn populariteit te danken ‘aan den familiaren en zelfs platten toon, dien hij in zijn omgang met den minderen man wist aan te slaan’ (Geschiedenis van het Amsterdamsche regentenpatriciaat, 239). Hierdoor zou hij een ‘volksbeweging’ geleid hebben om het stadhouderschap te ondermijnen. Elias gaf geen bronmelding, maar baseerde zich op Colenbranders studie naar de Patriottentijd (deel 1, p. 74, n. 1). Op zijn beurt verwijst Colenbrander naar Introduction to the History of the Dutch Republic for the last ten years, reckoning from the year 1777 (Londen 1788) p. 244), van de Britse ambassadeur James Harris. Bij deze diplomaat stond De Vrij Temminck in een kwade reuk, vanwege zijn anti-stadhouderlijke en anti-Britse politiek. De karakterschets in de Introduction was dan ook niet mals. Volgens de auteur was De Vrij Temminck (‘M. van Tamine’), ‘a man of low birth, mean education and moderate fortune’. Weliswaar was hij absoluut heerser van Amsterdam (p. 242), maar dit zei niets over zijn kwaliteiten, aldus de gemelijke Brit. Zijn kennis zou extreem gering zijn en hij was zo ongeveer analfabeet – maar vanwege zijn sterke republikeinse beleid, genoot hij toch aanzien. De burgemeester zou geen groot retoricus zijn en nauwelijks grammaticale kennis bezitten: ‘zijn taal was ordinair en barbaars, maar hij sprak met zoveel energie dat dit zijn beperkingen compenseerde’ (p. 244).

‘Vulgar republicans’

De Vrij Temmincks haat jegens de Oranjestadhouder en diens Engelse vrienden vergrootten zijn populariteit, zo meende zijn Britse criticaster. Zijn platte manier van spreken en denken, waren ‘identiek aan die van de onderste lagen van de Amsterdamse bevolking’ en daardoor was De Vrij Temminck het idool geworden van de ‘vulgar republicans’. Daarmee doelde auteur echter niet op de ‘gewone man’, maar op zijn mederegenten van republikeinse snit. Over zijn eventuele omgang met de man in de straat, schreef Harris niets. Ook een ander citaat dat Colenbrander aanhaalde over De Vrij Temminck is uit zijn verband gerukt. Volgens de Franse gezant Vauguyon (brief d.d. 25-2-1777) heerste de Amsterdamse burgemeester in de Statenvergadering ‘despotiquement’ met zijn republikeinse beleid. Dan volgt de zin ‘Le peuple le regarde comme son défenseur et son père’ (geciteerd in: D.M.M. d’Hangest baron d’Yvoy van Mijdrecht, Frankrijks Invloed op de buitenlandsche aangelegenheden der voormalige Nederlandsche Republiek (Arnhem 1858) p. 80). De Fransman doelde hiermee niet op het ‘gewone volk’, maar op de mensen (vertegenwoordigers) in de Statenvergaderingen: de regenten, met persoonlijke belangen bij de contrabandehandel, die zich vertegenwoordigd voelden in De Vrij Temminck.

Toch klonken ook buiten de officiële regeringscolleges loftuitingen op De Vrij Temminck. Met name in de patriottentijd (1780-1787), toen de stadhouderlijke partij steeds verder in het nauw kwam, werd de grijsaard geroemd met lierzangen. ‘Gy hoort uit zynen mond de taal der Amstellaren // Wier ongeveinsde trouw de naneef roemen zal’, zo schreef een broodpoeet ter gelegenheid van zijn 81ste verjaardag (Ambrosius Justus Zubli; Amsterdam 1781). Een andere gelegenheidsauteur prees de toegankelijkheid van de burgemeester: ‘Elk burger mogt gerust in nood u bijstand vraagen // Nooit gold bij u ’t verschil van rang’ (Feestzang op den één en tachtigsten jaardag van […] Egbert de Vry Temminck (Amsterdam 1781).  Een jaar later, in 1782, klonk opnieuw de loftrompet voor de (kinderloze) De Vrij Temminck: Gij houdt ons voor uw eigen kroost // Wij u voor onzen Vader // Elk burger raadt gij [geeft gij raadt], als een Vrind // Daar u geen trotse waan verblindt’ (De burgerij van Amsterdam aan […] mr. Egbert de Vrij Temminck; Amsterdam 1782).

Standbeeld De Vrij TEmminck BB 010097009272

Ontwerp voor een nooit geplaatst standbeeld voor De Vrij Temminck in Amsterdam op de Dam.

Pruik

Kwalificaties als ‘raadgever’ en ‘vader’ wijzen toch weer in de richting van een burgemeester die ‘dicht bij het volk’ stond, al kan het ook allemaal spreekwoordelijk bedoeld zijn. Het imago van Egbert de Vrij Temminck als volkse burgemeester bleef hoe dan ook als een spook rondwaren door de geschiedschrijving, onder meer dankzij mijzelf (Geschiedenis van Amsterdam, deel IIb, p. 337) en het NNBW-lemma. In 2014 kreeg Egbert de Vrij Temminck kortstondig enige landelijke bekendheid. Paul Spies, voormalig directeur van het Amsterdam Museum, toonde in een uitzending van DWDD (11-3-2014) zijn ceremoniële pruik. Hij koos het als object dat toenmalig president Obama tijdens zijn bezoek aan Nederland zeker zou moeten zien, omdat De Vrij Temminck ‘de onafhankelijkheidsstrijd van het land waar u president van bent geworden, een flink duwtje in de rug heeft gegeven’ (Amsterdam Museum). Spies doelde daarmee op het geheime verdrag dat de burgemeester had laten sluiten met de Amerikaanse revolutionairen. Obama liet de pruik links liggen en koos zoals bekend voor een bezoek aan het Rijksmuseum en de Nachtwacht. Misschien ziet zijn opvolger meer heil in een eerbetoon aan de achttiende-eeuwse populist.

Pruik van De Vrij Tremminck

De pruik van Egbert de Vrij Temminck. Amsterdam Museum.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie